Skip to main content
Internet Archive's 25th Anniversary Logo

Full text of "Mr. Jan Jacob Mauricius, gouverneur-generaal van Suriname, van 1742 tot 1751"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 







.'jf^^mjt 



"^ r. Ji imi mmm 



munmi-miuw. n\ somsiii 



V \ K 



1742-1751. 



HOOR 



Jhr. i:. 4. VAN SIJPESTEU?! . 

lüte Luitêïiant dot Artillerie, Bidder der Orde ^jiti 
döo Hedetlandschen Ijeeuw:, 



.h 
^ 



-•^♦HMH^e e^M^-^"*^ 




IK ^StjRAVKNIlAGE, bu 

m fMCBUOÜTiEItS VAN CLERF. 

185S. 



ff-'^^ 



Digitized by 



Goog 



ssgiJS:^ 



H^/obis 



" I 



DigitizedbyV iOOQIC 



■J-A 



Ke*/(?é.a3 



DigitizedbyVnO' )QIC 

I I 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



M'. JAN JACOB NAERICIVS. 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 




fyiX yy^n^Vf-r-uS^. 




Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



;^- 






Digitized by 



Googk 



r. JM JK06 IMKilVS, 



GOUVERNEUR-GENERAAL VAN SURINAME, 



VAN 



1742 tot 1751. 



DOOR 



Jhr. C. A. VAN SIJPESTEIJN, 

Iste Iiuitenant der Artillerie , Ridder der Orde van den 
Nederlandschen Leeuw. 



TE 'sGRAVENHAGE, bij 

DE GEBROEDERS VAN CLEEE. 

1858. 



Digitized by 



Googk 



K^ /0G^2 



•;r>i{VE;-(Slv . 
LfBkAkY ^ 



:> 



^ <: A '^ r.^ y 



UEDltUKT ItIJ 1>B GEBKOivPKSS YAX CLKKF. 



Digitized by 



Googk 



INLEIDING. 



Onder de te regt vermaarde Nederlanders, die zich door 
schranderheid, studie en beleid, zoowel op het staatkundig 
als letterkundig gebied, met roem hebben doen kennen, 
moet eene voorname plaats worden toegekend aan Mr. Jan 
Jacob Maüricius. 

En toch is die naam maar al te weinig bekend en wordt 
hij geenszins naar verdienste gevierd. 

In het koloniaal archief van Suriname treft men nog de 
journalen aan, waarin de Heer Mauricius, gedurende zijn 
verblijf als Gouverneur-Generaal in dat gewest, dagelijks 
zijne wederwaardigheden opteekende. 

Bij de vele moeijeliikheden en onaangenaamheden, die 
hij ddar moest ondervinden , is het niet te verwonderen , dat 
de door hem gehouden aanteekeningen dikwerf de blijken 
van eene diepe droefgeestigheid dragen. 

Het is echter opmerkelijk in welken kemachtigen en 
bondigen stijl hij dan zijn gevoel lucht gaf, en hoe hij 
elke boosaardige aantijging van zijne vijanden met enkele 
woorden wist aan te stippen en te wederleggen. 

Het lezen van die lijvige journalen , gedurende zijn negen- 
jarig verblijf in de kolonie te boek gesteld , en waarin hij , 

1 



Digitized by 



Googk 



in de blijkbare veronderstelling dat zij later niet zouden 
worden gelezen en dus slechts, om zijn eigen geheugen 
te hulp te komen, de zaken met waarheid moet hebben 
voorgesteld, — doet onwillekeurig een gevoel van hoog- 
achting voor den werkzamen en genialen man ontstaan, die, 
ziek en door allerlei verguizingen afgemat, niemand genoeg- 
zaam vertrouwde, om hem zijne gedachten te kunnen mede- 
deelen, en daarom tot een dagboek de toevlugt nam. 

Vele eigenhandige brieven en aanteekeningen van den 
beroemden man, zoo ook zijne gedrukte werken, waarvan 
onder bijlage I eene lijst hierbij wordt gevoegd, en bovenal 
het in die lijst genoemde Receuil van egte stukken enz., 
stelden ons, met behulp van de bovenbedoelde journalen, 
in staat, om met volkomene zekerheid, de volgende bij- 
zonderheden omtrent zijnen levensloop mede te deelen. 

Daar het onze bedoeling is, dezen merkwaardigen man, 
bijzonder in zijne betrekking tot de kolonie Suriname, te 
schetsen, zullen waj van zijne eerste ontwikkeling en op- 
leiding, van zijne vroegere lotgevallen en betrekkingen, 
slechts datgene aangeven, waardoor zijne werkzaamheid en 
invloed aldaar des te helderder aan den dag komen. 

Ten overvloede teekenen wij hier aan , dat in Scheltema's 
Staatkundig Nederland^ IP« Deel, blz. 87, in de Neder- 
landsche jaarboeken , VII, blz. 455 en 777 en VIII, blz. 253, 
in het vervolg op Wagenaar's Amsterdam^ Deel XXI, 
blz. 95 en 96, in de Kronijkmatige beschrijving van Pur- 
merende van van Sandwijk, blz. 71 en 72, en verder in 
alle beschrijvingen van Suriname ^), min of meer uitvoe- 
rige, dikwijls uiteenloopende berigten omtrent den Heer 
Mauricius voorkomen, van welke berigten hier alleen 



*) In de eerste plnats wordt te dien opzigte verwezen naar het uit- 
muntende klassieke werk, Beschrijving van Guiana, enz. door Mr. Jan 
Jacob Hartsinck , te Amsterdam in 17T0 uitgegeven. 



Digitized by 



Googk 



gebruik is gemaakt, dadr waar het als bewezen kon worden 
aangemerkt, dat zij geheel met de waarheid overeenstemden. 
Wij kunnen ten slotte niet nalaten om aan den Heer 
Rijks-archivaris Dr. E. C. Bakhuizen van den Brink, 
en de Heeren Campbell en Handel, ambtenaren bij de 
Koninklijke bibliotheek, die ons in onze nasporingen wel 
met hunne bekende bereidwilligheid behulpzaam zijn ge- 
weest, bij deze voor hunne medewerking openlijk onzen 
opregten dank te betuigen. 



Digitized by 



Googk 



- — *^^^'^@8©M<^-^-^-< — 



Jan Jacob Mauricius werd den S''" Mei 1692 te 
Amsterdam geboren en was de zoon van Johannes Mau- 
Bicius , voormalig Roomsch-Katholijk priester van de orde 
der Dominicaner-monniken of Predikheeren , die vóór zijn 
huwelijk tot de Hervormde godsdienst was overgegaan. 
Uit zijne verschillende geschriften, die allen tegen zijne 
voormalige geloofsgenooten zijn gerigt en waarvan de 
titels , voor zoo verre die konden worden opgespoord , 
in bijlage II zijn medegedeeld, kan men de beweegredenen 
zien , die hem van godsdienst hebben doen veranderen. 

Omtrent de afkomst van dezen Johannes Maukicius, 
die, blijkens de dissertatie van zijnen zoon, in 1708 te 
Amsterdam als koopman was gevestigd, kunnen wij geene 
bijzonderheden vermelden ; doch hij was geen Nederlander 
van geboorte, zoo als kan worden opgemaakt uit hetgeen 
zijn zoon mededeelt op blz. 340 van het 2de deel van het 
genoemde Receuil der proces-stukken , alwaar hij schrijft : 
//Op mijne familie valt niets anders te zeggen , dan dat se 
//in Holland vreemd is; overigens ben ik gebooren paren- 
//tibus plus honestis , quam copiosis.'/ *) - 



«) Mauricics voerde tot wapen 3 zwarte bijlen op een goud veld. 

/Googk 



Digitized by ^ 



Zoowel met opzigt tot het jaar, als tot de plaats der 
gel)oorte van J. J. Mauricius , treft men vele tegenstrij- 
dige berigten aan ; i) doch alle twijfel wordt onmogelijk , 
wanneer men op blz. 9 der JDichtlievende uitspanningen , leest , 
dat hij in het jaar 1755 den ouderdom van 63 jaren *) 
had bereikt , hetgeen bovendien geheel overeenstemt met 
het geloofwaardige verhaal eener door hem op den 11*" 
Januarij lt''99 , toen hij naauwelijks zes en een half jaar oud 
was , gehoudene predikatie , waarover straks meer. 

Dat Mauricius overigens te Amsterdam is geboren , 
blijkt ten duidelijkste uit zijne Bichtlievende uitspanning en y 
waarin die stad meermalen als zijne geboorteplaats bezon- 
gen wordt. 

De jonge Mauricius werd door zijnen vader , die in 
de Latijnsche en Grieksche talen en in de letterkunde zeer 
ervaren was, in die vakken onderwezen, en hij, die reeds 
op zeer jeugdigen leeftijd eene buitengewone schranderheid 
bezat, muntte toen reeds uit door zijne grondige kennis 
der Latijnsche en Pransche talen. Als een blijk van zijne 
buitengewoon vroege ontwikkeling strekke hetgeen men in 
het Kort verhaal van wetenswaardige zaken betreffende de 
Gasthuiskerk der stad Amsterdam ^ aldaar in September 
1791 in 8vo. gedrukt , vindt aangeteekend : ^) 

//In 1699, den elfden Januarij , zijnde Zondag , predikte, 
//tot verwondering der geheele stad , in deese kerk een 



«) Zie o. a. de Navorscher 1854, n°. XII, blz. 360—362 en het 
tijdschrift West-Indie, I. blz. 220: men vindt daar voor het jaar 1696, 
voor de plaats *s Gravenhage, 

*) In de voorrede van het Besluit der Dichtlievende uitspanningen , 
gedagteekend 3 Mei 1762, leest men: „Ik ben een man, die deezen 
„3en Maij mijn 70® jaar geëindigt heeft. " 

5) Zie hierover nader dé Vaderlandsche letteroefeningen van Junij 1848 , 
blz. 359; de Navorscher 1854, n*>. III, blz. 68, en W. L, I, blz. 220 
en volg. 



Digitized by 



Googk 



*kind, dat naauwlijks nes en een half jaar oud was, in 
//de tegenwoordigheid van honderden van menschen; welk 
//zulk eene schoone predikatie deedt, dat ieder die hem 
//hoorde, ten uiterste verwonderd was , ja hetwelk sommigen 
/srmet schreijende oogen deed zeggen , dat nu bewaarheid 
//wierdt dat de Zaligmaker, Matth. XXI, vs. 16, gezegd 
//had // (uit den mond der jonge kinderen en der zogelingen 
hebt gij uw lof bereid) //dewijl ieder voorbeeld uit de Hei- 
//lige Schriftuur dat het kind bijbragt , hen tot in 't 
//binnenste van de ziel drong. Onverzaagt en zondereenige 
//ontroering trad hij den predikstoel op en was , na men 
//konde merken, zeer verheugd, zoo veele toehoorders te 
//zien , welke hij allen zeer eerbiedig groette , waarop hij 
//een uitnemend gebed deed , hetwelk hij zoo kragtig uit- 
<ysprak dat de menschen , die hetzelve hoorden , hen naauw- 
i^lijks in konden beelden , dat zulks uit die mond voort- 
//kwam; die zij nogthans voor haare oogen zagen en hoorden 
//spreeken. Nadat hij zijn gebed gedaan had, nam hij zijn 
/'text uit Matth. VII, vs. 15 en 16; voorts bevestigde 
//hij de woorden van zijne predikatie met zeer veel deftig 
//te pas gebragte schriftuurplaatsen en waarvan hij de ca- 
//pittels en vaarsen, zonder eenige de minste hapering 
//bijbragt. Na omtrend een uur gepredikt te hebben besloot 
//hij zijne predikatie met de woorden van den apostel Paui.tjs 
yytot de Romeinen (Rom. Il, vs. 33, 34, 35 en 36). 
//Voorts eindigde hij met de woorden van het vohnaacste 
//c^ebed van den Heiland, en wenschte alle zijne toehoorders 
//eene heerlijke zegen toe , waarmede een ieder met de 
//grootste vergenoeging naar huis ging.// 

Het Kort verhaal enz,^ deelt ons wijders mede, dat dit 
getrokken is uit een gedrukt verhaal van dien tijd , dat 
toen (1791) reeds zeer zeldzaam was en dat //dit schrandere 
//kind niemand anders is geweest dan de vermaarde dichter 



Digitized by 



Googk 



//Mr. Jan Jacob Maüricius , die iu 1742 aangesteld werd 
//tot Gouverneur-generaal van Suriname. << 

In de gedrukte dichtbundels treft men Latijnsche en 
Nederduitsche verzen aan, die door den jongen Maueicius 
op achtjarigen leeftijd waren gemaakt, ') en die, hoewel 
waarschijnlijk geene meesterstukken , nogtans , toen hij op 
rijpen leeftijd was gekomen , met genoegen door hem werden 
herdacht. 

Op elf- en twaalfjarigen leeftijd maakte hij reeds Neder- 
duitsche gedichten van grooteren omvang, die men in zijne 
dichtbundels aantreft, met vermelding van het jaar, waarin 
zij werden vervaardigd. Gedeeltelijk zijn die dicht stukken 
opgenomen in zijne Dichtlieve^ide uitspanningen , gedeelte- 
lijk zijn zij afzonderlijk in druk verschenen. De laatsten 
komen tha^s slechts zeer zeldeu voor. 

Een heldendicht, getiteld: Lauwerkrans voor de helden 
hij den slag van Ilochstedt^ was het eerste werk, dat hij 
in het jaar ] 704 en dus op twaalfjarigen leeftijd , in het 
licht gaf 

Op zijn 13de jaar werd Mauricius ingeschreven als 
student iu de godgeleerdheid aan de hoogeschool te Leijden. 
Zeer spoedig echter verkoos hij de regtsgeleerdheid ., en met 
toestemming van zijnen vader , die anders liever had gezien 
dat hij het eerste vak had blijven beoefenen , *) wijdde hij 
zich toen geheel aan het tweede. 



*) Zie zijne DichUuvende uitspanningen, biz. 1 — 10. In eene noot op 
hlz. 8 leest men : „ Ik had ia mijne eerste jonkheid meer liefhebberij 
„in de Latijnsche poëzij, dan in de Nederlnndsche. Men zal dit geene 
„Gasconnade vinden , wanneer ik er bijvoeg , dat ik elf jaaren oud was , 
„wanneer ik met den eersten prijs uit het vijfde school overging in 't 
„zesde , en dus het onderwijs genooten had van den beroemden con- 
„rector David van Hoogstraatbn. Ik zal er echter, om niet te ver- 
„veelen, maar een staaltje of twee van bijbrengen." 

*) Zie blz. 5 dor DirMlievende uitspnnuingrn. 



Digitized by 



Googk 



Weldra muntte hij boven alle anderen uit door zijne 
buitengewone bekwaamheden, en reeds den 16'° April van 
het jaar 1708 , dus toen hij zijnen 16jarigen leeftijd nog 
niet had bereikt , werd Maueicius bevorderd tot doctor in 
de beide regten, na verdediging van zijne dissertatie » de 
ff Gallorum-Germanorumque origine, *) 

Het is opmerkelijk dat, hoewel hij zich anders steeds 
Mauricius teekende, hij in die dissertatie, even als zijn 
vader op de titelbladen van eenige zijner werken, Mauritius 
wordt genoemd. Bevreemdend is het dus niet, dat er over 
de spelling van den naam eenig verschil heeft bestaan. 

In lateren tijd schijnt hij de spelling Mauricius voor 
vast aangenomen te hebben ; terwijl hij , gedurende zijn 
tweede verblijf te Hamburg, in de laatste jaren zijns le- 
vens, bij zijnen naam het woordje van heeft gevoegd. 

In zeer korten tijd had , zoo als gezegd is , de jonge 
Mauricius zijne studiën ten einde gebragt. Hij deed dit 
onder de beroemde hoogleeraren Pabricius , Gronovius , 
Voet en Boerhave. Met de beide laatsten bleef hij steeds 
door de naauwste vriendschap verbonden, die, vooral wat 
Boerhave betreft, niet verminderde toen hij later, door 
zijn huwelijk met diens volle nicht , ook familiebetrekkingen 
met hem aanknoopte. 

Ook onder zijne mede-studenten te Leijden maakte Mau- 
ricius , gedurende zijn verblijf aan de Hoogeschool , vele 
vrienden. Met eenigen bleef hij tot in hoogen ouderdom op 
den meest vriendschappelijken voet omgaan. Onder de 
meest vertrouwde van die vrienden, zullen wij hier slechts 
noemen den als staatsman en dichter beroemden Mr. Pieter 
Anthonij de Huijbert , Heer van Kruiningen , Rilland enz.. 



1) Deze dissertatie bevindt zich in de boekerij van de Nederlandsche 
Maatschappij van Letterkunde te Leijden. 



Digitized by 



Googk 



Secretaris der stad Amsterdam en in 1717 Drossaert vaii 
Muiden, *) en Mr. JoAi^f Duncan,*) later Raad en Request- 
meester van den Prins van Oranje. 

In de dichtbundels van Mauricius vindt men vele, aan 
deze zijne beste vrienden opgedragen of ^toegewijde stukken. 
Zoo treft men onder anderen een in 1753 vervaardigd 
gedicht aan: tfde tempel der vriendschap ^tr waarin de onaf- 
gebroken vijf en veertigjarige vriendschap van het drieman- 
schap DE HuiJBERT, DuNCAN CU Mauricius door den laat- 
sten wordt bezongen. Bovenal levendig was de vriendschap 
en de briefwisseling tusschen Mauricius en de Huubert. Dit 
blijkt uit de volgende zinsnede van eenen brief uit Hamburg , 
dd. 10 December 1754, waarin Mauricius hem schrijft: 
// Wat is 't mij een genoegen bij deeze gelegenheid te moogen 
//betuigen dat onze vriendschap, na een verloop van 23 
//jaren, nog even dezelfde is: wanneer ik te 'sGravenhage 
//gewoond heb , en wanneer ik naderhand ter gelegenheid van 
//mijn pensionarisambt telkens een groot deel van 't jaar 
//aldaar doorbragt, is er zelden een' dag voorbij gegaan, 
//dat wij malkanderen niet gezien hebben. Wanneer ik elders 
//heb gewoond, en bij zonderlijk in de negen jaren van mijne 
//aanzienelijke verzending, is er zelden een postdag voorbij 
//gegaan dat wij malkanderen niet geschreven hebben.// 

Gedurende zijn verblijf aan de Hoogeschool , heeft Mau- 
ricius verscheidene dichtstukken , inzonderheid tooneel- 



*) Zijno zwakke gezondheid noodzaakte hem in Februarij 1739 tot 
het ambteloos leven terug te keeren. Hij vestigde zich met der woon 
te 's Gravenhage en beoefende daar de dichtkunst. Hij werd den 25<» 
Januarij 1692 geboren en huwde in 1717 met jonkvrouwe Maria 
Thierrij , dochter van den Griffier van het Hof van Holland. 

*) Hij overleed te *s Gravenhage op den 4«» Maart 1 7^3 in den ouder- 
dom van 63 jaren , en maakte zich verdienstelijk door het schenken der 
Bibliothêca Duncanniana , bestaande uit 460 deelen in 4to , welke nog 
in de Koninklijke Bibliotheek berusten. 



Digitized by 



Googk 



10 



spelen vervaardigd , welke laatsten allen afzonderlijk zijn 
uitgegeven. 

In zijne dissertatie, die hij aan zijnen vader *) opdroeg, 
komt een gedicht van den student in deregten,L. van dek 
HoKST voor, waarvan de aanhef aldus luidt : 

O waardste vriend , mij lust tot uwen lof te zingen , 

Gij , die van jongs af hebt uw gaauwen geest getoond : 

En uwen ouderen de grijse haijren kroond , 

O wereldswonder I gij, die naauwlijks vijftien jaaren, 

Ons komt uijt schriften de aiouden te verklaaren. 

Enz. 

De naam van wereldswonder was, men zal dit erkennen, 
geenszins misplaatst ten aanzien van den man, die reeds 
op zijn zesde jaar eene predikatie hield, op zijn achtste 
jaar Latijnsche versen maakte, op zijn elfde jaar een hel- 
dendicht in het licht gaf, op zijn dertiende jaar student 
werd, en nog geen zestien jaar oud zijnde tot doctor in 
de beide regten werd bevorderd. 

Dit was zijn eerste stap in het openlijk leven, en van dat 
oogenblik aan zag hij zich door rijke afwisseling van werk^ 
zaamheden en betrekkingen in staat gesteld, om een' schat 
van menschenkennis en doorzigt op te doen, welke hem 
bij de bekleeding der waardigheden, waartoe wij hem ver- 
volgens zullen zien opklimmen, allerdienstigst moesten zijn. 

Maubicius zette zich met der woon in 'sGravenhage 
neder, alwaar hij zich als Advocaat bij het Hof van Hol- 
land *) liet inschrijven. Hij werd echter weldra aangesteld 



1) D JoANNi Maüritio Mercator! apud Amstelodamensis vigilan- 
tissimo. 

•) MauriOius Avcrd den 17®»» September 1711, en dus op ISjarigen 
leeftijd 5 iu die betrekking beëedigd. 



Digitized by 



Googk 



11 

tot kommies bij den toenmaligen Raadpensionaris Mr. Isaak 

VAN HoOENBEEK. 

Reeds zeer jong, op den 4° September 1712, trad Mau- 
Ricius te 's Gravenhage in den echt met Alida Pauw. Hij 
kocht zich eene landhoeve nabij Nijmegen , en liet daar eene 
veefokkerij op groote schaal aanleggen ; doch daarmede was hij 
niet gelukkig, althans hij besloot, reeds twee jaren daarna, 
om die landhoeve, waar hij veel had te kampen met sterfte 
onder het vee en andere tegenspoeden *), te verkoopen. 
Hij was daardoor echter niet afgeschrikt, om nogmaals eene 
landbouw-ondememing te beproeven, want hij kocht in de 
Beemster, nabij Purmerend, eene aanzienlijke boerderij. 

Gedurende zijn verblijf en zijn oponthoud aldaar, maakte 
hij kennis met den beroemden Nieüwentijd, toenmaals 
Burgemeester van Purmerend, weike kennismaking tot de 
innigste vriendschap aanleiding gaf niet alleen met den 
genoemden Heer Nieuwentijd *) , maar ook met diens 
schoonzoon, den Burgemeester Munnik. Door toedoen 
van deze zijne vrienden, werd Mauricius in 1719, voor 
den tijd van anderhalf jaar , verkozen tot Schepen en 
Pensionaris der stad Purmerend, en toen nog in het- 
zelfde jaar, door het overlijden van Mr. Reinier Gerard 
VAN RuiJTENBURG, Schcpeu en Hoofd-ofBcier van die stad, 
de betrekking van Gedeputeerde ter vergadering van de 
Staten van Holland en West- vriesland was opengevallen, 
werd ook de vervulling dier aanzienlijke zending aan hem 
opgedragen. Mauricius, die van zijne vroegste jeugd aan 
eene borstkwaal leed, hield uit vrees, dat het aan deze 



*) Deze bijzonderheden zijn ontleend aan aanteekeningen van Maü- 
BiOiüS in zijne dichtlievende uitspanningen. 

*) Bernhard Nieuwentijd, geboren to Westgraftsdijk, den lO^n Augus- 
tus 1654, doctor in de geneeskunde en Burgemeester en Raad van 
Purmerend , was een groot beoefenaar der natuurkunde en wijsbegeerte. 
Hij overleed te Purmerend den 28<''» Mei 1718. 



Digitized by 



Googk 



12 



betrekking verbonden heen en weder reizen voor zijne ge- 
zondheid nadeelig zou zijn, de zaak wel eenigen tijd in 
beraad, doch besloot eindelijk toch de hem aangeboden 
betrekking te aanvaarden. ') 

Hij had inmiddels te Purmerend een huis gekocht, zich 
geheel aldaar gevestigd en zijne landhoeve geheel tot eene 
fraaije buitenplaats aangelegd. Toen de tijd, waarvoor hij 
tot Pensionaris was verkozen, (zoo als wij hierboven zei- 
den, anderhalf jaar) was verstreken, werd hij op nieuw, 
voor den tijd van zes jaren, als zoodanig benoemd. 

Groot was de achting en de onverdeelde genegenheid, 
welke Mauricius zich, gedurende zijn verblijf te Purme- 
rend, wist te verwerven. Daarvan werden hem onmisken- 
bare blijken gegeven, door zijne benoeming eerst tot Pen- 
sionaris ad vitam (voor zijn leven), en kort daarna tot 
President-Schepen en tot Burgemeester der stad, niette- 
genstaande, hij als jongste Schepen zitting had. 

In het jaar 1723 werd hij voorgedragen tot de open- 
gevallen betrekking van Raadsheer in den Hoogen Raad, 
doch deze onderscheiding mogt hem niet te beurt vallen, 
hoe vele pogingen zijne vrienden, inzonderheid de Burge- 
meester MuNNiK en de Schepen Mr. Willem van Neck, 
daartoe ook aanwendden. Mauricius had het ongeluk om, 
gedurende zijn verblijf te Purmerend , zijne vrouw *) en 
zijne ouders te verliezen. Allen werden daar, in een door 
hem aangekocht familiegraf, begraven. 



*) In het Besluit der Dichilievende uitspanningen , op blz. 212, leest 
men : „Ik zag er tegen aan , omdat ik vreesde , dat het reizen , vooral 
„in den winter, mij onmogelijk zou zijn. Dit is de reden, waarom ik 
„ze eerst maar heb gehad voor anderhalf jaar , om , zoo 't niet gelukte , 
„ze met fatsoen te kunnen nederleggen." 

«) Het blijkt ons niet jnist wanneer de eerste vrouw van Maüeiciüs> 
Alida Pauw overleed, doch dit moet hebben plaats gehad tusschen 
1721 en 1723. 



Digitized by 



Googk 



13 

Door zijne werkzaamheden als Gedeputeerde ter verga- 
dering der Staten van Holland , had hij zich te 's Graven- 
hage doen kenften als een ijverig, maar vooral als een 
schrander en ervaren staatsman, en zich zoo doende aldaar 
reeds grooten naam verworven. Geen wonder, dat de keuze 
op hem viel, toen in het jaar 1725 de betrekking van 
Resident van den Staat der Vereenigde Nederlanden bij 
den Neder-Saksischen Kreitz te Hamburg openviel. Dit 
was toenmaals eene zeer belangrijke zending, ten gevolge 
van den aanzienlijken handel, dien de Nederlanders met 
de meeste aan de Oostzee gelegene Staten voerden. Deze 
benoeming, waaraan eene jaarlijksche bezoldiging van 
vijf ckiizend gulden verknocht was, viel hem in 1725 
ten deel. 

Bij zijn vertrek uit Purmerend, mogt hij van alle zijden 
de ondubbelzinnigste blijken van hoogachting en deelne- 
ming ontvangen. Uit zijne geschriften blijkt menigmaal, 
welke innige genegenheid hij bleef toedragen aan die 
stad, w^aar hij de graven van zijne geliefde betrekkingen 
moest achterlaten. Wij vinden ook door hem aangeteekend , 
dat hij zijne buitenplaats verkocht aan den Heer de Dieu 
en zijne landhoeve aan Mevrouw Boon, dezelfde die later 
met den Heer Pet huwde. 

In zijne nieuwe betrekking als Resident te Hamburg, 
bewees Mauricius den Staat vele gewigtige diensten. Bij 
resolutie der Algemeene Staten van den 24^" Maart 1733 , 
werd hem dan ook, //als bewijs van tevredenheid over de 
>/door hem bewezene diensten,// de titel van Minister ver- 
leend, en tevens zijne jaarwedde van vijf- op zes duizend 
gulden gebragt. Zijne werkzaamheid te Hamburg blijkt nog 
uit verscheidene memorien over de geschiedenis van den 
handel in de Oostzee en op IJsland en daarmede verwante 
aangelegenheden. Van deze, wel in druk, doch niet in den 



Digitized by 



Googk 



14 

handel verschenen memorien, zijn de titels in bijlage I 
opgenomen. 

Ook bij de Eegering en bij de ingezetenen van Ham- 
burg wist Mauuicius zich algemeen bemind te maken en 
ieders hoogachting te winnen. 

Kort voor zijn vertrek naar Hamburg trad Mauricius 
op nieuw in den echt, doch, na een zeer kortstondig hu- 
welijk, verloor hij ook zijne tweede vrouw *). Den 30'° Sep- 
tember 1737 huwde hij ten derdenmale en wel met Jonk- 
vrouwe JoANNA Mabia Wbeede *) , wicr moeder eene 
eigene zuster was van den beroemden hoogleeraar, en van 
den predikant Boerhavb. Omtrent de staatkundige loop- 
baan van Maubicius te Hamburg, zullen wij hier niet in 
bijzonderheden treden. Wat zijne particuliere aangelegenhe- 
den betreft, blijkt nog dat hij in 1740 eene reis door 
Europa deed. Hij bezocht toen ook Parijs en deelt daarom- 
trent op blz. 63 van het l***® deel van zijnen Onledigen 
ouderdom de volgende anecdote mede: //'t Kan gebeuren 
</dat bij geval een' middelmatige geest een gelukkig nieuw 
//woord vindt en dikwijls nog een vreemdeling. In 't jaar 
//1740 met den Heer Voltairb eetende, bij den Heer Abt 
//DE Pénélon, die ons na de maaltijd 't origineel toonde 
//van zijns ooms Télémaque^ viel 't gesprek op 't onder- 
//scheid van den stijl in een gewoon treurspel en in een 
//opera. In de laatste moet men in twee regelen zeggen, 
//'t gene in 't eerste tien noodig heeft. Ik zeide daarop dat 
//QüXNAiTLT de kunst had verstaan de aerref une pensee 



*) Het is ons niet mogen gelukken de namen op te sporen der 
tweede vrouw van Maüriciüs. 

*) Haar broeder Christoffel Herman Wreedb werd in 1745 be- 
noemd tot ontvanger der modicque lasten in Suriname. Hij overleed 
aldaar, ongehuwd, op den 17«n September 1784. Wij vinden hem in 
1744 nog als Iste landmeter in Oost-Indie. 



Digitized by 



Googk 



15 

//welke uitdrukking beide die Heeren, schoon nieuw, zeer 
//goed vonden. Van een groot Heer spreekende, die zich in 
//veel' lage buitensporigheden verloopen hadt , zeide ik onlangs 
//in een gezelschap van Transchen , quil avaii fait bien de 
nmatelotades ^ 't welk ook wierdt goedgekeurd.// 

De Algemeene Staten verhoogden , bij hunne resolutie van 
den 1'" Mei 1741, als een blijk van tevredenheid , het trac- 
tement van Maumcius met/ 1200 's j aars. Ook van andere 
zijden mogt hij menig blijk van tevredenheid erlangen. Zoo 
werd hem jaarlijks, voor de aan de Oost-Indische Kom- 
pagnie bewezen diensten in de bescherming en uitbreiding 
van haren handel, door dit ligchaam een geschenk aange- 
boden, dat zelfs eens de aanzienlijke som van / 2500 be- 
droeg, terwijl hem op lederen Nieuwjaarsdag, door de Ee- 
gering der stad Hamburg, een aam beste Ehijnwijn als 
geschenk werd toegezonden. 

Het was niet voor Mauricius weggelegd om rustig op 
ééne plaats gevestigd te blijven, en wij zullen hem thans op 
zijne verre togten nagaan, 

In den aanvang van het jaar 1742, deden de Directeuren van 
de geöctroij eerde Sociëteit van Suriname Mauricius het aan- 
bod, om als Gouverneur-Generaal naar die kolonie te vertrek- 
ken , en zulks toen zij , ten gevolge van plaats gehad hebbende 
onlusten, besloten hadden den Heer van de Schepper, die se- 
dert het jaar 1 7 37 die betrekking had vervuld, te doen vervangen. 

Eene korte uiteenzetting van den toenmalige» toestand 
der kolonie , die tot de zoo even bedoelde onlusten aanleiding 
gaf, komt hier niet ongepast voor. 

Bij het octrooi van den 24'" September 1682 *), — welk 
staatsstuk later steeds als de grondwet van Suriname is 



*) Zie dit octrooi in J. J. Hartsinck , Beschrijving van Guiana 
Deel II, blz. 628—636. 



Digitized by 



Googk 



16 



;iangemerkt, — werd de eigendom vau de kolonie door de 
Algemeene Staten verzekerd aan de West-Indische Kom- 
pagnie, en zoodoende een einde gemaakt aan de vele, reeds 
over dien eigendom ontstane geschillen. 

De bewindhebbers der West-Indische Kompagnie ver- 
kochten echter reeds in Mei 1683 twee derden van de 
kolonie: één derde aan de stad Amsterdam en één derde 
aan Cornelis van Aeessen, Heer van Sommelsdijck. *) 

De drie eigenaren sloten den 21*^" Mei 1683 eene over- 
eenkomst, tot oj)rigting eener Sociëteit, die den naam ver- 
kreeg van geoctroijeerde Sociëteit van Suriname, 

Deze Sociëteit werd beheerd door Directeuren, die hunne 
zittingen in Amsterdam hielden, en van welke het aantal 
onbepaald was, daar ieder deelhebber er, naar verkiezing, 
tot vier toe kon benoemen, die dan echter slechts ééne 
stem hadden. Het voorzitterschap was permanent- aan de 
stad Amsterdam opgedragen. 

De, Directeuren der Sociëteit werden bijgestaan door eenen 
Secretaris, destijds (1742) Mr. Joan Hubert van Meel, 
een zeer kundig mensch, die deze betrekking reeds sedert 
1726 vervulde en grooten invloed op den gang van zaken 
uitoefende. 

De Heer van Aerssen van Sommelsdijck, die zich bij 
het 6'*« artikel der bedoelde overeenkomst van 21 Mei 1683, 
verbonden had om in persoon als Gouverneur naar de ko- 
lonie te vertrekken *) , en werkelijk nog in datzelfde jaar 



*) Zie over hem onze Beschrijving van Suriname ^ blz. 15 en volgg., 
en blz. 233 tot 240. 

*) Dit artikel luidt als volgt: „dat den Heer van Sommelsdtck sal 
„aannemen ) selfs in persoon voor Gouverneur naar de colonie van 
„Suriname te gaan ; ende gelyck syn Edele beeft gepraesenteert buyten 
„eenige belastinge van de gemelte societeyt, ende uyt liefde, sonder 
„daarvoor eenige vergeldinge te ontfangen; des dat ten laste van de 
„societeyt aan syn Ed. jaarlycks sal werden toegesonden sodanige 



Digitized by 



Googk 



17 

aldaar aankwam, werd den IQ»» Julij 1688 door muitende 
soldaten vermoord, waardoor Je eigendom van zijn derde 
aandeel aan zijne erven overging. 

Bij art. XXVII van het octrooi had de Sociëteit de 
verpHgting op zich genomen, om behoorlijk te zorgen voor 
dè verdediging der kolonie, zoowel wat betreft de vesting- 
wérken , als het onderhouden van eene genoegzame krijgsmagt. 

Toen echter in het jaar 1712, bij den ongelukkigen inval 
van Cassard, die de kolonie op eene schrikbarende wijze 
brandschatte , bleek , dat zoowel het onderhoud van de 
vestingwerken als van de troepen geheel was verwaarloosd, 
en dat daardoor elke behoorlijke verdediging onmogelijk was 
geworden, wierp men in de kolonie openlijk de schuld op 
de Directeuren der Sociëteit , die werkelijk verzuimd hadden 
ten deze hunne verpligtingen na te komen. De vele ver- 
liezen, die men door den inval van Cassard had geleden, 
en de vele lasten, die sedert nog moesten worden opgebragt 
om de brandschatting geheel te delgen, droegen niet weinig 
tot deze algemeene misnoegdheid bij. 

Waren de Directeuren en ingezetenen het onderUng ge- 
heel eens over de noodzakelijkheid, om door het 'bouwen 
van eenige belangrijke forten en het onderhouden van eene 
goede krijgsmagt, de kolonie tegen aanvallen van buiten- 
landsche vijanden te beschermen, geheel anders was dit, 
toen de vraag te berde kwam: wie de kosten zou betalen. 

Eindelijk werd, na vele verwikkelingen en onderhande- 



„quantiteit Bynse en Franse wynen, mitsgaders speccryen, als de So- 
„cietejt honestement oordeelen sal te behoren ; onder die expresse 
„conditie nogtans^ dat BynEd. , gednrende deszelfs gantsche adminis- 
„tratie of gonvernement redenen van misnoegen hebbende gegeVen , 
„revocabel sal syn," enz. Meerdere bijzonderheden zijn te vinden in 
West'IndiOf I, blz. 113—114, en 200 en volg., en in Hartsinck, II, 
blz. 638 en volg. 

2 



Digitized by 



Googk 



18 



lingeii, die twintig jareti dnürden, de zaak den 8" De- 
cember 1738 door een verdiag beslecht. ') 

Bij dit verdrag , tusschen de gemagtigden van de Direc- 
teuren en Van de ingezetenen , te Amsterdam gesloten en 
door de Staten-Öetieraal bij resfolutie van den 1Q'° December 
1738 goedgekeurd , kwam men overeen , dat de kolonie 
binnen den tijd van 7 jaren in behoorlijken staat van te- 
genweer Kon worden gebragt , waartoe jaarlijks de ingeze- 
tenen /60,OOÖ en de Directeuren / 30,000 aouden bij- 
dragen* De kosten werden dus op ƒ630,000 geraamd, te 
verdeelen over fceVen jaren. In het jaar 1734 legde de 
Gouverneur dï Chsus^es, A&&r waar de rivieren de Suri- 
nume en de Commewijne zameüvloeijen , den eersten 
steen van het fort Nieuw-Amsterdam, uitmuntend gelden 
om de kolonie tegen den aanval van eenen buitenlandschen 
vijand te verdedigen. De plannen van dit fort waren ge^ 
maakt door den Ingenieur Dbaak, *) terwijl de uitvoering 
werd opgedragen aan den Ingenieur Piskue Dominique bbs 
Marets. 

Ingevolge het verdrag rustte op de ingezetenen ook de 
verpligting, om voor den arbeid aan de vestingwerken, tegen 
genot van huur, een genoegzaam aantal slaven af te staan. 

Over de uitlegging van deze bepaling ontstonden weldra 
tusschen het koloniaÜ Bestuur en de ingezetenen oneenig- 
• heden, die ieder jaar in hevigheid toenamen. 

Elke door de opvolgende Gtouvemeujs aangewende po- 
ging tot verzoening mislukte door den onwil der inge- 
zetenen om de gevorderde en werkelijk drukkende belastingen 
te betalen. 



*) Meerdere byzonderheden te vinden in West-Indie, II, bis. 83 
en Yolg! 

2) Zie onze Beschrijmng vtxH Suriname, blz. J50 en West-Inéie , II, 
blz. 84 en volg : 



Digitized by 



Googk 



19 

Daarbij kwam nog dat de leden van het hof van politie , 
die allen uit de aanzienlijkste en rijkste ingezetenen der 
kolonie werden gekozen, juist behoorden tot hen, die het 
meest in de belastingen moesten opbrengen. Meermalen en 
op allerlei wijzen trachtten zij zich aan de betaling te ont- 
trekken, hetgeen aanleiding gaf, dat uit den boezem van 
dat eerste ligchaam der koloniale maatschappij , dat onder 
voorzitterschap van den Gronverneur-Generaal alle zaken 
beheerde , de meeste verwikkelingen voortkwamen. De Gou- 
verneur, *) die als gemagtigde van de Directeuren der 
Sociëteit, dier belangen aanhoudend tegen de Eaden van 
politie moest verdedigen, gaf aan deze zoo doende schoon 
spel , om zich , waar het hun eigen voordeel gold , als 
warme voorstanders van de belangen der ingezetenen voor 
te doen. In 1736 wendden de fiaden van politie zich reeds 
tot de Staten-Generaal om te klagen //over de despotique 
//conduiten van den nieuwen Gouverneur Raije , // een' man 
die ieders hoogachting genoot als welverdiende hulde voor 
zijne algemeen erkende kunde en braafheid. Baije overleed 
reeds in 1787, nog voor dat er uit Nederland op die be- 
schuldigingen eenig antwoord was vernomen. Zijn opvolger , 
Ge£A£I) van de Sgheppek, moest gedurende zijn kort 
bestuur nog meer moeijelijkheden ondervinden , en daar hij 
er niet tegen opzag om zijn gezag door krachtige maatre* 
gelen te handhaven, werd hij van alle zijden uit Suriname 
aangeklaagd wegens misbruik van magt, eerst bij de Direc* 
•teuren en later bij de Algemeène Staten. Het schijnt dat 
de Heer van de JSohbpïee zich omtrent de tegen hem 
ingebragte beschuldigingen niet volkomen heeft kunnen of 



*) Ofschoon de titel ran Gouverneur- Generaal werkelijk aan de 
landToogden van Suriname was toegekend, werden zij gewoonlijk 
Gouverneur genoemd , welke benaming ook hier meermalen is gebraikt 



Digitized by 



Googk 



20 



willen verantwoorden ; althans de Directeuren besloten , hem 
te doen vervangen. Zij waren echter zeer verlegen toen het 
er op aankwam iemand te vinden, niet alléén volkomen 
geschikt, maar ook genegen, om de moeijelijke taak van 
bestuurder dier zoo zeer door tweedragt verdeelde volk- 
planting op zich te nemen. 

De keus viel toen op den reeds beroemden staatsman 
Mauricius , die herhaaldelijk had doen zien , hoe hij , over- 
al de algemeene hoogachting en genegenheid wist te 
winnen, en het aanbod werd hem, zoo als hiervoren is 
medegedeeld, gedaan. 

Uit zijne brieven en aanteekeningen blijkt, hoe huiverig 
Maueicius was om de hem aangebodene betrekking te 
aanvaarden, vooral toen zijne beste vrienden de Huubebt, 
DüNCAN en Mr. Admaan vatst bek Miedbn, (de laatste 
was destijds President van het Hof van Holland) , hem sterk 
ontraadden Europa te verlaten. 

Ofschoon de geldelijke voordeelen aan de meerbedoelde be- 
trekking verbonden, niet zeer veel meer bedroegen dan zijne 
inkomsten te Hamburg, besloot Maueicius ze aan te nemen, 
zoo als hij zegt , voornamelijk om der wille van zijne gezond- 
heid. Hij leed toch, van zijne vroegste jeugd af, veel aan de 
nadeelen van eene zeer zwakke borst, inzonderheid aan 
benaauwdheden , en meende nu, a%aande op het gevoelen 
van de geleerden, dat het warme klimaat hem veel goed 
zou doen. 

In zijne Bichtlievende uitspanningen schrijft hij daar- 
omtrent op blz. 228, onder anderen het volgende: //De 
//borstquaal waarmeede ik van kindsbeen af elendig geworsteld 
//heb, heeft ihij op mijn 50' jaar , tegen 't advies van alle 
//mijn' goede vrienden de resolutie doen neemen om soelaes 
'/te soeken in eeu warme lucht, aan de overzijde van de 
//waereld. // 



Digitized by 



Googk 



21 



Dun y*"* Februarij 1742 werd hij alzoo, na vooraf de 
Algemeene Staten om ontslag uit zijne betrekking van 
Minister te Hamburg te hebben verzocht, aangesteld tot 
//Gouverneur-Generaal over de Golonie Suriname, Rivieren 
ffen districten van dien , mitsgaders Colonel van de militie 
/rin die Colonie en President van alle coUegien. // 

Het treffendste bewijs van de buitengewone tevredenheid 
over de wijze, waarop hij zijne Ministers betrekking had 
vervuld, vindt men in de resolutie van de Staten-Generaal 
van den 13*" Februarij 1742, waarbij hem het gevraagde 
ontslag op de meest eervolle wijze werd verleend. Daarin 
treft men o. a. deze vleijende zinsneden aan: ^getuigende 
//dat de Heer Maueiciüs met veel vlijen ijver en getrouw-- 
ffheid^ een geruimen tijd van jaaren , het ministers-ampt had 
//waargenoomen tot genoegen zijner committenten,// en 
verder» dat hij tot zijne nieuwe betrekking was aanbevolen 
bij de Directeuren, f/ om zijne bijzondere bequaamheid en 
ff goede qualiteiten, r/ Tijdens zijne benoeming werd in de 
vergadering der Staten-Generaal van den 31*" Januarij 1742 , 
de vraag ter sprake gebragt, of wel aan den opvolger van 
Mauricius zou behooren te worden toegekend de toelagen, 
hem voor buitengewone diensten verleend, welke vraag in 
ontkennenden zin werd beantwoord, zoo als blijkt uit het 
volgende extract uit het register vaii de resolutien der 
Algemeene Staten: 

Mercurii den Sl'^ Januarij 1742. 

//De Heeren Gedeputeerden van de Provincie 2ieeland, 
//hebben ter occasie van de demissie van den Heer Mau- 
//Ricius, haar HH. M. Minister bij den Neder-Saxische 
//Creits, resideerende te Hamburg ter vergaderinge voorge- 
//draagen , dat HH. M. bij derselver Resolutie van den 
//l" Mei des voorleden jaars het ordinaris tractement, voor 



Digitized by 



Googk 



''Z2 



//gemelde Heer Maubiciüs hadden verhoogd met /' 100 
//'s maaiids, en alzoo gebragt van / 6000 op / 7200 jaar- 
/-'lijks, dat die verhooging was geschied /9iel bijzondere 
/rreflexie op de personeele merites van gemelde Heer Maü* 
//Ricius, en op de extraordinaris naarstigheid en moeite 
ff die hij gebruikt en genomen heeft gehad j in de saaken 
//van dé Oost-Indische Compagnie, in de vaart op America, 
//alsmeede van de Visscherije en vaart omtrent IJsland en 
ffin de Noorderzee , en in andere saaken meerder , en hebben 
>!rdaarbij in bedenken gegeven of deese vermeerderinge , 
ff alleen gefundeerd op de perzoonele verdiensten van ge- 
ff melden Seer Mauricius, wd behoorden over te gaan op 
//sijn successeur, en of in deesen tijd tot soulaas van de 
/i'lt^antien, die aan alle kanten zo seer beswaard zijn, en 
>f ontlastingen noodig hebben , niet van nu af aan vastgesteld 
/i^behoorde te werden , dat die geene , die aan gemelde Heer 
>y Mauricius in dezelve post sal suocedeeren, niet meer sal 
//genieten als het voorige cnrdinaris tractement, suilende 
vlij het doen van gelijke extraordinaris arbeid ^ en diensten^ 
ft als de Heer Mauricius heef t gedaan daarop altijd namaals 
<^reflexie kunnen werden gemaakt. Waarop gedelibereerd 
i^zijnde, is goedgevonden ende verstaan, mits deesen vast 
i^te stellen, dat die gene, die in plaatse van gemelde Heer 
;r Mauricius tot Minister te Hamburg zal werden aangesteld, 
//die post zal moeten waarneemen op het ordinaris tractement 
//van/ 6000, en dat gevolgelijk de voorschreeve vermeer- 
//dèringe Zal cesseeren. 

/^Ende sal hiervan kennisse gegeven worden aan den Raad 
//van Staate, om te strekken tot derselve naerichtinge. // 

Deze resolutie werd aan Mauricius toegezonden met eenen 
brief van den Raadpensionaris van dbu Heim, van den 
volgenden inhoud : 



Digitized by 



Googk 



23 



// WelEdele Gestrengen Heer / 

//De Sesolutie bij hfiaj Hoog Mogende op UWEG. mia- 
//sive van 26 Januarij geEomen, schijnt mij to^ allezins te 
^voldoen aan hetgeen UWEGr. heeft verlangt, en die ten 
-«^selvep dage genomen om de /1200 avgmentatie van het 
//tractement voor UWEG. gwcceseeur te doen cesseeren, 
ff bevat een getuigeni^se^ dat HH, M. aan UJfEG. hlijk 
ffgeeven^ dat UWEQ, aangenaam mo^t^ijn en in de^^gisten 
ffvoor d^ p&stenhU b^fmard ml worden, 

//Mijn wensch is , dat UWEG. met gelijk geuoegen dit 
«'afscheid bekomt , sijne nieuwe post aanvaarden m lange 
//Jaaren met gezondheid en alle geluk en zeegen bekleedt^ 
//mag, hetwelk ik betuige m\j aang^a^öBi te sullen 2flu., 
//en dat ik met veel hoogachting mx iev^ oprecbtelijk b^ 

// WelEdele Gestrenge Heer , 

f/ UWEG, zeer ootmoedige en gehoor- 
's Hage , f/saame dienaar , 

//3 Februarij 1742. (W. G.) A. van der Hjbim.// 

Mauricius, die zich voorgenomen had om nimmer iu 
het vaderland terug te keeren en zijne overige dagen rustig 
in Suriname te gaan slijten, en zelfe de plaats had aan- 
gewezen, waar hij wenschte bcj^aven te worden,^) ontdeed 
zich van zijne vaste bezittingen en verkocht onder anderen 
eene , nabij Hamburg door hem zeer fraai aangelegde , buiten- 
plaats aan zekeren Kapitein Tam. 

In Augustus 1742 hield Mauricius in eene vergaderino- 
van de Heeren Directeuren der Sociëteit van Suriname te 



4) Zie de noot op blz. 136 zyper Dichtlievende uitspanningen. 

/Googk 



Digitized by ^ 



u 



Amsterdam eene merkwaardige afscheidsrede,') en scheepte 
zich met zijn gezin nog in die maand aan boord van het 
vaartuig, dat door de Directeuren tot zijnen overvoer was 
bestemd , in. Na eene lange , doch gelukkig volbragte reis , 
kwam hij den lé'"* October 174& in de kolonie Suriname 
aan, waar hij op de meest vriendschappelijke wijze door den 
Gouverneur van de Schepper werd ontvangen. Reeds op 
den 17"* October nam hij van dezen, — die den 2^ 
April van het volgende jaar met zijne echtgenoote, aan 
boord van het schip Ho f wij X^ y Kapitein Kbijgsman, naat 
Nederland vertrok, — het bestuur over. 

Gedurende de eerste jaren viel er niets buitengewoons voor. 
Met onvermoeiden ijver wendde Maubicius alle pogingen 
aan , om de middelen van verdediging der kolonie te brengen 
op den voet, waarop die volgens de bepalingen van het in 
1733 aangegaan contract behoorden te zijn. Want hoezeer 
de termijn van zeven jaren , vastgesteld voor den aanleg 
der vestingwerken , reeds verstreken was, hadden de werk- 
zaamheden, vooral door de telkens gerezen geschillen, zoo- 
veel vertraging ondervonden, dat zelfs het fort Nieuw- 
Amsterdam nog niet voltooid was. 

De //Kommandeur// of bevelhebber der troepen, die tevens 
als eerste Raad in het Hof van Politie zitting had , en als 
zoodanig eenen grooten invloed kon .uitoefenen, was onder 
den Gouverneur belast met het toezigt over den opbouw van 
het fort, terwijl aan twee Raden van politie, als Commis- 
sarissen , meer bepaald was opgedragen het beheer over de 
slaven, die door hunne respectieve meesters voor het werk 
geleverd werden, en die men hommando-alaven noemde. 



*) In het Besluit der dichtUevende uitspanningen , op blz. .16 van de 
voorrede ) deelt hij mede dat hij die redevoering niet geschikt achtte , om 
door den druk openbaar gemaakt te worden. 



Digitized by 



Googk 



25 



Ter vervanging van den op den l^*" December 1741 te 
Paramaribo overleden Kommandeur Mab-cellüsBuouweb, — 
die in 1737 in de plaats was gekomen van den tot Gou- 
verneur-Generaal benoemden Kommandeur Gerard van de 
Schepper , — stelden de Directeuren tot Kommandeur en 
tot Luitenant-Kolonel der militie aan Philippe Ghambrieb, 
Kapitein bij de Zwitsers , die slechts eenige dagen na Mau- 
Riciüs in de kolonie aankwam.*) Maxjricius klaagt zeer 
over de onbekwaamheid en de kwade trouw van Chambrier , 
die hem later veel onaangenaamheden wist te berokkenen. 
Daartoe droeg niet weinig bij de omstandigheid, dat Cham- 
brier bekend was , en zelfs briefwisseling onderhield , met 
verscheiden- hooggeplaatste personen in Nederland. Daar- 
onder zullen wij slechts noemen den Heer Piek van Soelen , 
die in 1732 huwde met Elisabeïh Johanna van Aerssen 
VAN SoMMELSDiJCK, dochter van den Admiraal Fran^ois — 
en dus de kleindochter van den in Suriname vermoorden 
Gouverneur Cornelis van Aerssen. De Heer Piek*) was 
dus mede-erfgenaam in één derde van den eigendom der 
kolonie, en met zijnen zwager Pran^ois Cornelis va:^ï 
Aerssen *) verkozen tot Directeur der Sociëteit van Suri- 
name. Chambrier schijnt den Heer Piek, die natuurlijk 



*) Hij kwam dfin 31<« October 1742 met het schip Abraham Jacobs , 
Kapitein Dirk Boes , aan , en deed den eed als eerste Baad yan politie 
reeds den len November daaraanvolgende. 

*) Willem Hendrik Baron Piek, Heer van Soelen, Brakel enz., 
was Kommandeur van de Dnitsche orde , ala Afgevaardigde van de 
Ridderschap van Gelderland gecommitteerd b)j de Staten-Generaal enz. 

») FRAN901S Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck was de 
ondste zoon van den Vice-Admiraal FRAN901S en van Maria van 
Aerssen van Warnhout, Hij was Kolonel van de Gardes, en 
Directeur der Sociëteit van Suriname, huwde met Everardina Pbtro- 
KELLA VAN HooENDORP CU overlccd kindcrloos. Met hem stierf de tak 
van het geslacht van Aerssen, als Heeren van Sommelsdyck be- 
kend , uit. 



Digitized by 



Googk 



:16 



veel belang ia den gang vaxi zaken in Suriname stelde , 
geheel op de hoogte te hebben gehouden van hetgeen er 
voorviel. In eenen van zijne brieven, *) gedagteekend Para- 
maribo, 4 September 1744, treft men o. a. de volgende 
zinsneden aan, waarin de toestand van het fort Nieuw- 
Amsterdam, zoo als Maukiciüs aanteekent, f/ in zeer ver-- 
fjwaarloQsd Franschff beschreven wordt : // la circonc^t^nce 
//OU est la colonnie d'estre en Etat de déifence en ea» dp 
/yguerre ma obligé a demontré clairement è. notre ww 
A'l'Etat oü dans laquelle se trouvent les forts; faute den 
//avoir du soin ^ les réparer par un bon entretient (ce quil 
//nignorent pas; etant sur les lieux) cela ma obÜgé a dif- 
//ferens mémoire et plan pour leur démontré ce qui est 
//absolut ^ reparer : plus ce qu'ü faut y construir pour une 
//bonne deffence: iaj eu Thonneur d'Envoyer aux Seigneur 
ürde la noUe Societé, par concéquent Monsieur vous eu 
//aves connoissance ; tous cela ma Demendé du travaü. En- 
z/fin après bien des paines nous avons obtenu pour trois 
//mois 300 neigres pour reparer Ie fort Damsterdam et èi Ie 
//mettre en bon état de deffence; ils en ont connut la 
//necessit^; ce nest pas sen criegr, Mon rapport que iay 
//1'houneur d'Envoir aux Seigneurs etc: vous y verez Mon- 
//sieur en quoy consistent les reparations essensiels ay y 
//faire, et pour la Deffence ; Tous cela prouve Ie faut rap- 
z^port qu'a fait Ie nom^ Demabais *) , au Seigneur de ]» 
//Societé; toute la coUonie sertifiera les mauvais travaux, 
//que Ie fort nétoit nuUement en etat de deffence quand il 
//Ie remit: ce que je luy dit en fiice en presence de 7 te- 
//moin: et une fois y etant allé avec deux commissaire de 



*) Deze brief is ons welwillend ten gebruike afgestaao door den Heer 
VAN Dam van Brakel te *s Gravenhage. 

*) Pü door ons bereids genoemde Ingenieur P. D. des Marets , die 
den llo"» Augustus 1743 ziek naar Nederland was vertrokken. 



■ Digitized by 



Googk 



:^7 



//la part de la cour , je luy fit voir que son ecluae etait 
/ymale situé, male construite et quelle mena9oit ruene: Ie 
//mason qui la faite laverti des défaut de son plan ; mais 
//son ignorence ne lui permit pas dé suivere ce sage avis: 
^Enfin oser dire les batteries en bon état ; ces navois ny 
//pudeur ni honneur de dire un serablable rapport, inais il 
i^étoit obligé de masquer la vérité pour cacher son ignorence 
net Ie couverire. Il a abusé Mr. Haetel en lui disant Ie 
//rapport; je peu dire avec vérité que si on pouvoit fair 
//examiner Ie dit fort par des ingénieur surement ils diray 
/^quil est impossible , quon ait esté 9 ans ^ la construir et 
//èi y avoir fait des fautes lourdes décolier: et avoit couté 
ü^huit cent mille francs: ny quun Ingenieur en chef en ait 
>donné Ie plan, ce la luy veray tord dan son savoir// — 
en verder: 

//Je me suis chargé des travaux de Demabais et de dis- 
A^tribuer les 800 neigres a bien reparer soHdèment Ie tous : 
/ya mettre en bon Etat Ie fort d' Amsterdam : de meme a 
vretablir Ie fort Soramerdik ') ou jay deja commencé a y 
4ftravailler , quoyque je nest pas de commission pour servire 
//d Ingenieur tous Ie profit que jen ait , est que je donne 
4rde mes neigres ; que je suis obligé dalier avec ma botte // 
(tentboot) ^avec mes neigres tracer ie travail et ^ voir si 
HOïi execute bien Tonverage : et negliger mes propres ^ faije 
//voile lavantage que j'en ait : ce qui ma surprit et Mr. Ie 
/rGouverneur^ (Mauricius) //aussi est de voir dan la lettre 
^que j'ay recent des seigneurs , est quils on ajouté foix aux 
//faut rapport qua fait Demarais, sen faire attention ik la 
//pure vérité du raport que j'en ait fait ; et les plans juêU 



') Het fort Sommelsdyck I ook fort Cottica genoemd, in het jaar 
1685 aan de lamenvloeljing der rivieren Cottica en Comniewijne ge- 
bouwd. 



Digitized by 



Googk 



28 



^/que jen ait envoyé. — On dit dans la coUonie liautement 
>/qml son ésté dupe, ce fort mest la colonie de mauvais 
//humeur.// *) 

Dat de opbouw en het onderhoud van het fort, zoo als 
Chambriee schrijft , de geheele kolonie slecht gestemd 
had , is volkomen juist , doch minder goed en doelmatig 
schijnen zijne in dien brief zoo hoog geroemde plannen te 
zijn geweest. Toen later zijne brieven aan den Heer Piek 
door de Directeuren aan Maueicius werden gezonden, om 
daarop te berigten , deelde deze zijne beschouwingen daar- 
omtrent, die later ook in het II' deel van h&iReceuil^ op 
de 80* en volgende bladzijden zijn opgenomen, zeer uitvoerig 
mede. Het oordeel van Maueicius over de plannen is 
vervat in deze merkwaardige woorden , voorkomende in zijnen 
brief aan de Directeuren van den 4*° December 1747: 
//Maar pour^la rareté du fait ^ provoceer ik deesen goeden 
//Heer om die plans , zoo hij durft , aan kundigen te ver- 
//toonen , en men zal dan vinden , dat het plans geweest 
y/zijn als dat van Harlequyn , om de Haarlemmermeer droog 
»ie kooken; 't is geen kunst magnificque teekeningen te 
//fabriceeren , zonder op 't bereik der kasse te letten.// 

Het spreekt van zelf dat de scherpzinnige MAURiciusr 
in zijn berigt de hem , als het ware door Chambrier zelven 
aangeboden gelegenheid , om dezen in een bespottelijk daglicht 
te stellen, niet onbenuttigd liet voorbijgaan, en dat hij 
Chambrier's //verwaarloosde// spelling der Fransche taal 
en slechten stijl deed uitkomen ten bewijze van de gegrond- 
heid zijner meening , dat deze , welke daarenboven geen 
enkel woord HoUandsch sprak of verstond, voor de be- 



<) Nog komt in dien briof voor: „Je vous envoye par ]e cap. Jean 
„Schout, Ie singe que tous ayez demandd ; il a^toutes] les calités de 
„singe et remplit de mallise : il aime a déranger et caper." 



Digitized by 



Googk 



9.9 



trekking van //Kommandeur // volkomen onbekwaam was. 

Het huwelijk van Chambrier met de rijke weduwe *) 
van den Eaad van civiele justitie Pierre Dxjpeyrou , den 
31'° Mei 1743 voltrokken, had bovendien eenen zeer nadee- 
ligen invloed op zijnen dienstijver uitgeoefend. 

Mauricius zag zich dan ook meermalen genoodzaakt 
hem tot betere pligtsbetrachting aan te manen , hetgeen 
Chambrier, die zich toen ook als een slagtofler van Mau- 
ricius voordeed, aanleiding gaf om den 4'°Februarij 1744 
zijn ontslag te vragen. Niets natuurlijker dus, dan dat 
Chambrier, na het hem verleende ontslag, tot de hevigste 
tegenstanders van den Gouverneur behoorde. *) 

In zijne plaats werd in 1746 in Nederland tot //Kom- 
//mandeur // benoemd Jean Louis T Archer , Heer van 
Keenenburg, sedert 1743 Ritmeester der Kavallerie in het 
Regiment van Ginkel. 

Hij kwam den 29«" December 1746 , met het schip 
Beekvliet , Kapitein Pieter Kok , in Suriname aan en 
werd , zooals uit het dagboek van Mauricius blijkt , met 
-^eel onderscheiding door dezen ontvangen. Maar het schijnt 
dat Mauricius geen geluk met de hem teu zijde gestelde 
// Kommandeurs // had, althans l' Archer was niet alleen 
in Suriname altijd ziek, maar overleed reeds den 10*° Mei 
1748. Ook hij had zich reeds spoedig bij de gevaarlijkste 
tegenstanders van Mauricius gevoegd , zoo als later zal 
blijken, op aandringen van zijne vrouw, die hoopte dat 
haar echtgenoot , bij eene eventuele terugroeping van 



<) Zij was onder anderen eigenaresse van de plantages Ferou, Liba- 
non en Ia Nouvelle Espérance. Het blijkt ons, dat zij in 1753 ook weder 
weduwe was van den Heer Chambrier. 

*) Chambrier vertrok den 14«n April 1747 met de Concor(fta> Kapitein 
DouwB Ferret, naar Nederland, en berokkende dtór Mauricius nog 
menige moeijelijkheid. 



Digitized by 



Googk 



80 



Maubioius , tot Gouverneur zou worden benoemd. *) 
Na den dood van l' Archer werd den 9° Octoberl748 
tot //Kommandeur^ benoemd Wigbold Crommelin, ') Ka- 
pitein in het Regiment van den Luitenant-Generaal van 
Leijden. Van deze benoeming werd, bij den volgenden 
brief der Directeuren van den 9° November 1748, aan de 
Raden van politie mededeeling gedaan: 

f/ E del Achtbare Heer en V 

//Met het schip Daniël Benedictus gaat met zijne familie 
//over de Heer Wiöboijj Crommelin, welke wij, in plaats 
//van den overledenen Heer Jan Louis l'Ajlcher tot Com- 
A^mandeur en Luitenant-Colonel over onze forteresse en mi- 
iï'litie hebben aangesteld. H. H. M. de Heeren Staaten- 
//Generaal hebben de goedheid gehad hem ook te munieeren 
//met haar resolutie nopens syn sessie in den politicquen 
//raad en groote krijgsraad, ahmme vóór de raden van poUtie. 
//Wij wenschen in syn persoon te hebben aangetroffen alle 
//qualiteyten, die in een braaff Commandeur en eerste raad 
//werden vereyst, ten eynde waardiglyk de post, waarmede 
//wij hem hebben bekleed waar te nemen: en gelijk wij 
//niet twijfelen off hij sal van syn kant alles contribueeren 
//wat een volmaakte overeenstemming in den Raad ten beste 
^van de colonie en de goede ingezetenen van dien noodig 



») Mevronw l* Archer klaagde Mauriciüs later openlijk aan van 
haren echtgenoot te hebben miskend en bemoeijeJijkt op cene wijze, 
die zijnen dood had veroorsaakt. Ook klaagde zij zeer over de wijze 
waarop hij, bij de aankomst in Suriname, door den Gouverneur was 
ontvangen. 

9) Omtrent CROMXBi.nr*8 levensloop en de betrekkingen door hem 
bekleed , zijn door ons vele bijzonderheden medegedeeld in het tijdschrift 
West'Indie, II«deel, biz. 36 en volgg., en 108~114. Hij was Gouver- 
neup-Generaal van Suriname a. i. van 1752^1754, en effectief van 
1757 — 1768. CsoMMBLiN was aanlegger en eigenaar van de plantage 
Rust en Werk aan de Beneden-Commewijne. 



Digitized by 



Googk 



81 



//is, ftoo verwagten wij ook dat UEd. Achtb. van haar kant 
//gaarne daartoe zullen meede wercken." 

Maitkic^us zwaait in zijn journaal den Kommandeur 
Cbommelin allen lof toe, zoowel over zijne bekwaamheden 
als over de loijale wijze, waarop hij hem steeds met raad 
en daad heeft ter zijde gestaan, en betreurt meermalen, 
dat Crommelïn eerst in 1749 in Suriname kwam, toen 
de onaangenaamheden reeds openlijk waren uitgebroken in 
zoo hooge mate, dat elke verzoening tusschen de partijen 
onmogelijk was geworden. *) 

MAUAtölTfB, ofschoon geen militair, wist zich zeer goed 
ook in krijgszaken van zijne verpligtingen te kwijten. 
Daarvan gaf hij menigmaal doorslaande bewijzen. Toen de 
Ingenieur .Ms Makuts in 1748 had berigt, dat het fort 
Nieuw Amsterdam voltooid en in goeden staat van tegen- 
weer was, — waartegen Chambrieu, gelijk men heeft ge- 
zien, zoo krachtig protesteerde, — besloot MaüriciuS) 
die zich geenszins met de zienswijze van OHAMBEiïit kon 
Vereenigen , onder anderen , om , ten einde het vaarwater in 
de rivier de Suriname nog beter te bestrijken, aan den 
linkeroever van die rivier, tegenover het fort Nieuw Am- 
sterdam eene redoute aan te leggen. Niettegenstaande dit 
voornemen bij de leden van het hof van Politie hevigen 
tegenstand ondervond, zette Maubïcius zijn plan door. 
Bij het leggen van den eersten steen van die redoute in 
het jaar 1744, gaf Maumcius daaraan den naam van 
Ptirmerend. *) Hieruit blijkt weder zijne gehechtheid aan 



*) „De Heer Cbomhelin, yan wien ik anders alle reden heb om 
„content te weezen , en wiens ijver en gedienstigheid ik met reden prijzen 
„moet, is te laat gekomen om mij veol te kunnen helpen, dewyl by 
„zijn aankomst alles reeds in de war was.'' Reeeuil, IV, bis. 437» 

*) Tegenover het fort Nieuw Amsterdam , aan de monding der Com- 



Digitized by 



Googk 



32 

die stad, waarvan hij al spoedig andermaal een bewijs gaf, 
door de nieuwe plantage, welke zijn zoon Pietee aan de 
rivier de Commewijne had aangelegd, insgelijks den naam 
van Purmerend te geven. 

Het gelukte aan Maubiciüs gedurende zijn bestuur, om 
ook een einde te maken aan andere bezwaren, die uit den 
aanbouw der vestingwerken wnren voortgesproten. 

De ingezetenen, vooral de Baden van politie, waren na- 
melijk voortdurend ontevreden over het belangrijk aantal 
kommandoslaven , dat zij voor den arbeid aan de forten moes- 
ten leveren, en over den geringen huurprijs , dien zij daarvoor 
kregen. Klagten door hen bij de Staten-Generaal ingebragt, 
gaven aanleiding dat deze, bij hunne resolutie van den 
13" November 1744, aan den Grouverneur en Raden op- 
droegen om dit verschil uit den weg te ruimen; doch de 
partijen konden het niet ligt eens worden. Eerst toen 
Mauricius door de Directeuren, bij hunne missive van 
den 19" Junij 1747, gemagtigd werd om met de Raden, 
als vertegenwoordigers der ingezetenen, eene overeenkomst 
te treffen, kwam er den 6" Maart 1748 een verdrag tot 
stand, waarbij deze aangelegenheid geheel werd geregeld. 

Dit verdrag, waarbij langwijlige en moeijelijke geschillen 
tot aller genoegen werden beëindigd , was door Maueicius 
zelf opgesteld en moet worden beschouwd als een meester- 
stuk van bekwaamheid. Het bestond uit XII artikelen en 
wordt ons in zijn geheel medegedeeld door Hartsinck, 
Deel n, blz. 729—739. (Zie ook West-Indie, n, blz. 89). 

Al dadelijk na zijne komst in Suriname zocht Mauricius 
ook de bestaande wijze van regtspleging te verbeteren. Vol- 



mewyne, werd later nog eene sterke redonte gebouwd, waaraan de 
Goavemear-Generaal P. A. van der Meer, op den 16«n Mei 1756, 
den naam gaf van redoute Leijden. 



Digitized by 



Googk 



83 



gens de staatsregeling der kolonie Suriname, vastgesteld bij 
het meergemelde octrooi van 1682, was aan het eerste 
collegie, het hof x>an Politie en crimineele Justitie, onder 
het voorzitterschap van den Gouverneur , de wetgevende 
magt, de criminele regtspleging en de regeling van alle 
belangrijke zaken opgedragen. 

Dit hof was, buiten den Gouverneur als Voorzitter, te 
zamengesteld uit den Kommandeur als eersten Baad en uit 
negen onbezoldigde Raden, gekozen uit de aanzienlijkste 
ingezetenen. Bovendien had nog, als adviserend lid, in 
beide hoven zitting de Raad-fiskaal , de ambtenaar aan 
wien de waarneming van het Openbaar Ministerie, en de 
zorg voor de uitvoering van alle door den Gouverneur en 
het hof van Politie gegevene bevelen , was opgedragen. 
Deze Raad-fiskaal had wel geene stem, doch oefende zeer 
grooten invloed uit op de raadsbesluiten , daar hij als regts- 
geleerde altijd moest voorlichten en ook den Gouverneur als 
raadsman was toegevoegd. 

Het tweede ligchaam der kolonie, het hof van civiele 
Justitie, dat zijne zittingen hield onder voorzitterschap 
van den Gouverneur, of bij diens ontstentenis, van het 
oudste lid, bestond uit zes, eveneens onbezoldigde Raden. 

Bij dit hof werden afgedaan alle burgerlijke zaken, niet 
behoorende bij het collegie van Commissarisse7i voor de 
kleine zaleen, dat gewoonlijk het subalterne collegie werd 
genoemd en van welks vonnissen in zaken, hooger loo- 
pende dan de som van honderd gulden, men a%n het ge- 
noemde hof kon appelleren. 

Van de vonnissen der beide hoven daarentegen kon men 
bij de Algemeene Staten revisie verzoeken. 

De behandeling van alle regtszaken was dus, als het 
ware , geheel aan onbezoldigde regters toevertrouwd , die 
deze betrekking meestal slechts beschouwden als een middel 

:3 



Digitized by 



Googk 



M 



001 iu aanzien te komen en hunne bijzondere belangen te 
bevorderen. 

De vroegere Gt)uverneurs , die meerendeels geene regts- 
geleerden waren , ssaten in het hof van civiele Justitie slechts 
zeldzaam voor en lieten de regtspleging geheel aan den 
Raad-tiskaal over. Het behoeft geen betoog, dat deze be- 
trekking daardoor zeer in Aanzien was gekomen, en dat 
hare opvolgende bekleeders zich zoodanigen invloed wisten 
te verschaffen, dat zij, — hoezeer hun in het hof van 
Politie oorspronkelijk slechts als adviserend lid, onder 
de Baden zitting w&s verleend, — algemeen beschouwd 
werden als in rang volgende op den Kommandeur of 
éérsten Baad. ^) De Baad-fiskaal genoot, buiten de helft 
in eenige boeten, geene bezoldiging. Aan zijne betrekking 
was echter het exploiteurs-ambt verbonden, waarvan de 
voordeden op achttien k twintig duizend gulden jaarlijks 
werden geschat. 

De kundige Maueiciüs vond, bij de aanvaarding van 
het bestuur, in de regtöpleging eene menigte grove mis- 
bruiken ingeslopen, en bij de hoven ruim 400 onafgedane 
zaken. Met rusteloozen ijver woonde hij, als Voorzitter, 
de vergaderingen in de beide hoven , waarin de aan- 
hangige zaken geleidelijk werden afgedaan, bij. De lang- 
wijlige en ondoelmatige wijze van procederen wijzigde hij 
terstond. 

Dat de onbezoldigde Baden door die vermeerdering van 
werkzaamjieden ontevreden werden, vooral daar Mauricius, 
die alles met eigene oogen bezag, hunnen invloed merkbaar 
verminderde, spreekt wel van zelf, maar inzond^heid drukten 
deze meerdere werkzaamheden op den Raad-fiskaal. 

Sedert het jaar 1742 werd die betrekking bekleed door 



») Zie Hartsincic, II, blsc. 884. 

/Googk 



Digitized by ^ 



35 

Mr. Jajcobüs van HaTxEwijn , Heer van Werven ^) , die op 
den 9*" Januarij van dat jaar in Nederland was aangesteld. 

Het schijnt dat deze in den aanvang met Maumcius 
heeft medegewerkt, om de gewenschte verbeteringen in te 
voeren, ofschoon het later blijken zal, dat hij toen reeds 
tot diens bedekte vijanden behoorde. Zijne vijandige gezind- 
heid werd openlijk door hem erkend, toen Maukiciüs in 
1745 het exploiteurs-ambt van het fiskalaat afscheidde, 
waarvoor aan van Halewijn eene vergoeding van vijfdui- 
zend gulden 'sjaars werd toegelegd. Bij eene aanzienlijke 
vermeerdering van werkzaamheden waren dus het gezag en 
de inkomsten van den fiskaal merkbaar ingekort, en meer 
met zijnen rang *) in overeenstemming gebragt. Tot exploi- 
teur werd toen benoemd de Procureur Mr. Aubin Nepveu, 
broeder van Jan Nepveu, die sedert den 17®"* November 
174^ Secretaris van den Heer Maumcius was. Beide 
broeders worden door Mauuicius zeer geprezen, doch zij 
moesten van den kant van diens vijanden menigmaal on- 
aangenaamheden verduren. 

Inzonderheid was dit het geval met den oudsten, Aubin 
Nepveu, die door zijne vijanden op eene verregaande wijze 
werd benadeeld, en belasterd. 

In het jaar 1745 werd hij door het hof van politie tot 
gevangenisstraf veroordeeld , omdat hij oneerbiedige woorden 
tegen den fiskaal zoude hebben gebezigd. Toen Mauriciüs 
dit vonnis geschorst had, werd deze van vele zijden, inzon- 



*) Hij was bij de bevolking zeer gebaat en wordt door Madricius 
somwijlen aangeduid onder zijnen bijnaam de lange neus. Zijn voorgan- 
ger was Mr. WiLhmt Gbsard van Keel, eigenaar van de plantage 
Vlammenburg aan de Boven -Coramewijne. 

•; De Gouverneur genoot toen slechts ƒ 9000 vast tractement, de 
Kommandeur ƒ 4320 's jaars , benevens 4 rantsoenen , ieder op ƒ 100 
'sjaars geschat. 



Digitized by 



Googk 



36 

tlerlieid door den fiskaal, beschuldigd van onrtigtvaardige 
partijdigheid voor de Nep ve u's. 

Als een voorbeeld van de ongehoorde wijze, waarop in 
Suriname werd regtgesproken , haalt de Gouverneur bij 
zijn berigt over die zaak nog een vonnis aan, waarbij de- 
zelfde AuBiN Nepveu, in 1737, veroordeeld was om 
de tong met eenen gloeij enden priem doorboord te worden, 
omdat hij , toenmaals President der Commissarissen voor de 
kleine zaken, onder het spelen in eene herberg woorden 
gekregen hebbende, tegen eenen Eaad van politie had ge- 
zegd: //de Raden van politie zijn geene goden op aarde.// 
Dit vonnis , op grond van godslastering geveld , werd na- 
tuurlijk niet ten uitvoer gelegd. {Receuil^ II, blz. 185). 

De overige beschuldigingen tegen Aubin Nepveu worden 
door Mauricius in het II' Deel van het Receuil uitvoerig 
wxderlegd. Van zijnen Secretaris Jan Nepveu prijst hij de 
braafheid en de goede trouw zoodanig, dat, naar zijne 
meening, zelfs de bitterste vijanden van dezen niets van 
belang ten zijnen nadeele wisten aan te voeren. {Receuil ^ 
II, blz. mi). 

Een ander voorbeeld van de vreemde regtsbedeeling wordt 
door Maueicius in zijne verantwoording aangehaald. Het 
betreft eene, den 11*° Julij 1750 geslagene, zoo hij zich 
uitdrukt, //ridicule sententie, om een neger te verkoopen 
//op poene zoo hij weederkomt van te werden geradbraakt, 
i/en daarna aan de Engelschen te werden verkocht en voor 
//eeuwig te werden gebannen uit het land.// ') 

De fiskaal Halewijn van Wek ven overleed, na de 
oneenigheden met Mauricius door zijnen invloed zeer te 
hebben aangestookt, den 22«" Augustus 1746 te Paramaribo. 
De ter zijner vervanging in Nederland benoemde fiskaal 

») Zie Receuil, IV, blz. 295. 



Digitized by 



Googk 



37 

Mr. NicoLAAs Anthonij Kohl, kwam reeds den IS»" De- 
cember 1746 met het schip Liesveld^ Kapitein W. van 
DER CooiJ, in Suriname aan. 

Mauriciüs, die tot de aankomst van Kohl, met den 
Kapitein de Boisguignon , die met de instructie der zaken 
was belast, in persoon de betrekking van fiskaal had waar- 
genomen *), roemt zeer de kunde en de verdiensten van 
den eersten, met wien hij later zeer bevriend werd. Den 
26''* Januarij 1748, huwde Kohl met de oudste dochter 
van Mauriciüs , Wilhelmina Hamburgensis genaamd , 
doch tot groote droefheid van zijne betrekkingen overleed 
hij reeds op den 27*"* October van dat jaar. Zijn dood was 
een waar verlies voor de kolonie. 

Het fiskalaat werd toen door den Raad van politie, 
Hendrik Talbot, Jr. *), waargenomen, tot dat de in Ne- 
derland tot fiskaal benoemde Secretaris Jacob van Baerle 
die betrekking den SI*** October 1749 aanvaardde. Doch 
ook deze overleed reeds, zonder nog één jaar in zijne be- 
trekking werkzaam te zijn geweest, den 25" September 1750. 
Het voorafgegane doet duidelijk zien, dat Mauriciüs ge- 
durende zijn bestuur met onvermoeiden ijver verbeteringen 
zocht in te voeren en alle pogingen aanwendde, om be- 
staande moeijelijkheden uit den weg te ruimen, geschillen 
bij te leggen en zonder aanzien des persoons verkeerdhedeu 
te herstellen. Hij mogt daarin echter niet slagen en om- 



*) Niettegenstaande Mauriciüs, gedurende dien tijd, het geheele 
tractement van den fiskaal aan de weduwe van den Heer van 
Werven had afgestaan , werd hij, zoo als wij in het vervolg zullen zien, 
later nog door haar beschuldigd, dat hij haren man door mishande- 
lingen eenen vroegen dood berokkend en haar in geldzaken te kort 
gedaan had. 

») Hij was de zoon van den Haad van politie Hendrik Talbot , Sr. , 
eigenaar van de plantages Slootwijk aan de Commctcwanc, Monrepos 
aan de Paulus-kreek en Overbrug aan de Bovcn-Snriname. 



Digitized by 



Googk 



38 



streeks het jaar ITéö brak de geest van tegenstand eu vau 
onwil tegen elk zijner handelingen openlijk uit. 

De Komman deur , de Raad-fiskaal, de Raden van Politie, 
in één woord de voornaamste ingezetenen der kolonie had- 
den, sedert twee jaren, door hunnen veel vermogenden in- 
vloed het vuur der tweedragt heimelijk aangestookt. Zelfs 
in de zittingen van het hof van Politie moest de Gouver- 
neur, als Voorzitter, hevige aanvallen verduren van Salümok 
DüPLEssis, een' van de Eaden, die zich aan het hoofd 
der misnoegden had gesteld. 

Maüricius gaf in den aanvang geenszins de hoop op, 
om de gemoederen tot bedaren te brengen en de eensge- 
zindheid te herstellen. Met bezadigdheid trachtte hij alle 
bezwaren uit den weg te ruimen, doch te vergeefs. 

In het jaar 1746 vingen de misnoegden aan zich open- 
lijk te vereenigen, en hielden zij zelfs op vaste tijden en 
onder allerlei voorwendsels vergaderingen , met door hen zel- 
ven benoemde Voorzitters, Secretarissen, ja zelfs Penningmees- 
ters. In die vergaderingen werden allerlei middelen beraamd 
om den Gouverneur moeijelijkheden te berokkenen , en adres- 
sen van beklag opgemaakt met het doel, om ze aan de 
Directeuren der Sociëteit en aan de Staten-Generaal in te 
dienen. 

Maüricius noemt, in zijne later in druk uitgegevene 
schriftelijke verantwoording *), deze tegen hem optredende 
vereeniging van ontevredenen steeds de f/cahale^'r en be- 
schrijft meermalen in krachtige en hevige bewoordingen de 
vele moeijelijkheden, die hem door die //cabale,// — waarin 
zelfs de aanzienlijkste dames der kolonie zich niet schaam- 



») Het meergenoemde Receuil van echte stukken en betcijzen ^ door 
Salomon Düplessis en anderen, tegen Mr. J. J. Maüricius, enz. te 
Amsterdam, bij de Wed. Schouten en Zoon, 1752, 5 Deelen, in 
folio. (Zie bijlage T). 



Digitized by 



Googk 



39 

den eene belaugrijke rol te vervullen, — werden aangedaan. 

Op blz:. 26 van het II Deel van het Becenil y treft men 
eene oordeelvelling van Maubiciüs aan over de onderteeke- 
naars van de verschillende requesten van beklag, die uit 
den boezem der //cabale// bij verschillende ligcbamen in 
Nederland, tegen hem werden ingebragt. 

Daarbij doet hij ons» — Duplessis, over wien wij nader 
zullen handelen, niet medegerekend , — als de ziel en den 
voomaamsten steun der cabale kennen eene zekere Mevrouw 
AoDRA, die, afgescheiden van hare groote rijkdommen, 
door hare betrekkingen eeneu buitengewoon grooten invloed 
op de zaken kon uitoefenen, welken invloed zij steed» ten 
nadeele van Mauricius aanwendde, terwijl zij hem, zoo als 
hij schrijft, />- steeds met de rneeate hoogdravenheid en im- 
//pertinentie bejegende.// 

Na de onderteekenaarg in verschillende klasse® te hebben 
gerangschikt, zegt Maürici^s, in «ijnen eigenaardigen en 
bondigen stijl, van haar: //Onder de laatste (vijfde) classe 
y/plaats ik eindelijk eenige oude vrouwen, die NB. allee» 
//geteekend hebben op het zien van de hand van Madajk 
//Aüdba, die getrouwt geweest eijnde aan drie Gouverneurs 
//sedert dat sij selfs de hand niet meer in de regering kan 
//hebben, sich altijd een plaisier heeft gen^aakt, van de 
//regering te contramineren, en wat complaisance en indul- 
//gentie ik omtrent haar gebruikt heb, echter die rol cou- 
//stanteiijk schijnt te willen voortspeelen,<^ 

Maübiciüs, die zich dikwerf ^eer ovet haar beklaagt, 
duidt haar meestal aan onder den naam van vetnla beaia 
en schrijft in eenen brief van den lÖ**^ Febnwirij 1751 ^) 
van haar het volgende : //Madam Düvoisin *) is bekend , 



») Deze brief is te vinden in het Receuil , Deel IV, biz. 403. 
•) Zoo als wij hieronder zullen zien, was de weduwe Audra her- 
trouwd met den Predikant DuvoisrN. 



Digitized by 



Googk 



40 



//en wil bekent weeseu, niet alleen voor mijn geslagen 
f/vijandin^ maar zelfs voor het hoofd van mijn vijanden^ 
//waarom ik dan ook met haar nog haar- man niets te 
//menageren heb.^ 

Op eene andere plaats beschrijft hij haar in deze bewoor- 
dingen: //Eene matroon van zoo groote uiterlijke deftigheid, 
//die ik de eer heb gedaan van de velleda der cahale te 
i^noemen, waarvan haar man zelf mij schrijft, qyielle s'esi 
ffpnbKquement déclarée mon adversaire.n *) Eindelijk nog 
schildert hij haar in de volgende termen af: //het is eene 
// vrouw die getrouwd met 3 Gouverneurs en nu 2 Predi- 
//kanten, zelfs Duvoisin (c'est tout dire) tot haar 5« man 
//heeft, eene vrouw die de uiterste deftigheid, ja devotie 
//affecteert, en zig ook geerigeert heeft tot hoofd der cahale.n 
{Receuü, IV, blz. 5). 

De levensloop van deze vrouw, die men met regt de 
moderne Samaritane *) kon noemen, is zoo merkwaardig, 
heeft zulk eenen grooten invloed op dien van Mauriciüs 
uitgeoefend en staat zoo naauw in verband met de geschie- 
denis van Suriname over dien tijd , dat wij het niet 
onbelangrijk hebben geacht daaromtrent eenige bijzon- 
derheden mede te deelen in eene levensbeschrijving van 
Majjricius, vermits de juiste kennis van haar gedrag en 
karakter ter beoordeeling van diens handelingen onmis- 
baar is. 

Charlotte Elizabeth van dek LiTH werd den 19*" No- 
vember 1700 te 's Gravenhage geboren. Haar vader Diedekich 
VAN DER LiTH was iu 1697 beroepen tot Hoogduitsch Pre- 
dikant te 's Gravenhage en werd later benoemd tot Curator 



») Receuü, IV, blz. 398 en 427. 
«) Zie Johannes IV, vers 1&. 



Digitized by 



Googk 



41 



der Latijiische scholen, welke betrekking hij tot in 1723 
vervulde. ') 

In December 1721 huwde zij te Paramaribo met Hendrik 
Tehming *), die, na het overlijden van den Gouverneur 
Jean Coutier, den 10'" October 1721 benoemd was tot 
Gouverneur-Generaal van Suriname, en die den 1'" Maart 
1722 het bestuur der kolonie aanvaardde. 

De Gouverneur Temming overleed reeds den 17" Ee- 
bruarij 1727 te Paramaribo, dus na eene echtvereeniging 
van 14 maanden, waaruit eene dochter Johanna Baldina, 
den 8"" November 1726 te Paramaribo geboren werd. 

Deze dochter huwde den 25«" April 1745 met den Heer 
EsTiENNE CoüDERO ') , Raad van civiele justitie. 

Tot Gouverneur van Suriname werd den 26«" Julij 1728 
in Nederland aangesteld de Heer Charles Emilius Hendrik 
DE Cheusses *) , die den 9«" November van dat jaar in de 



») Hij was vroeger Hoogleeraar in de philosophie te Francfort aan 
de Oder, en hnwde den 9«» Januarij 1698 te 's Hage met Elizabeth 
Baldina Hblvetiüs, dochter van Johannes Fredertcus Helvetiüs, 
Med. Doctor aldaar en van Johanna Pels. Hij ovecleed den 25<» Mei 1723. 
*) De ioon van Rbikibr TsHMiNa en van Johanna Walbuko van 
Hachten. Hij werd den 24"» Februarij 1706 benoemd tot Kapitein 
eener vrijkompagnie^ en kreeg den 28"» Maart 1710 eene kompagnie 
in het regement Edüard van Benthbim. Bij z^jne eerste vronw Mach- 
teld van Wouw (dochter van Hendrik van Wouw en van Catha- 
BiNA VAN Rüijven), had hij eene dochter, Catharina Eleonora , die 
gehuwd is geweest met Jacob Alexander Hendrik de Cheüsses, 
later Gouverneur van Suriname. Temmino was eigenaar van de plan- 
tage Bergendaal aan de Boven-Snriname , die na zijnen dood voor de 
helft aan zijne beide dochters en voor de wederhelft aan zijne weduwe kwam. 
5) Hij was de zoon van Zacharie Couderc en van Maria Prêvot 
en overleed den 16"» Julij 1754 te Paramaribo, verscheidene kinderen 
nalatende. 

♦) Hij was de zoon van Vincent Gideon Henrt Marquib de 
Cheusses, Lnitenant-Generaal en Kolonel van een regiment Kaval- 
lerie, in dienst van den Koning van Denemarken, en van Maria 
Henbiette van Abrssen van Sommelsdijck, tweede dochter van den, 
in 1688 vermoorden Gouverneur van Sommelsdijck. 



Digitized by 



Googk 



kolonie aankwam en het bestuur aanvaardde, dat sedert den 
dood van den Heer Temming was waargenomen door den 
Kommandeur Johajsnes Blrij *) met twee fiaden van politie. 

De weduwe van den Gouverneur Temming (door Maübicils 
de vetula d<?ö^^a genoemd) huwde den 17'" Julij 1729 met 
den Gouverneur C. K, HL db Cheusses. 

Zoo als men later zal zien werden de afgelegene plan- 
tages in dien tijd menigmaal door weggeloopen n^ers aan- 
gevallen. Ook de plantage Bergendaal, die aan de vrouw 
van den Gouverneur de Cheusses en aan hare 'stiefdochter 
Catharina ëleonora Temming behoorde, deelde den 28*< 
Junij 1730 in dat lot. 

Onze heldin schijnt daardoor niet afgeschrikt te zijn, 
om deze verafgelegene plantage te bezoeken, althans hare 
dochter Henriette Marie de Cheusses *) werd aldaar den 
26 " September 1731 geboren. 

De Gouverneur C. E. H. de Cheusses overleed den 
ion Pebruarij 1734 te Paramaribo, waarop het bestuur 
voorloopig werd aanvaard door den Kommandeur Johan 
FEAN901S CoRNELis DE Vbies ^) CU twcc Hadeu van politie. 

Zoodra de dood van den Gouverneur db Cheusses in 
Nederland bekend was geworden, werd den 9®" Julij 1734 *) 
tot Gouverneur-Generaal aangesteld de bovengenoemde 
Jaoob Alexander Henri de Cheusses, broeder, tevens 



1) J. Bleu was, na het aan den Kommandeur F. A. Graaf ds 
Ratnbval, op zijn verzoek verleend eervol ontslag, den 21«'> Januar^j 
1726 in die betrekking opgetreden. Zie over beiden: De opvolging in 
het bestuur der kolonie Suriname, West-Indiey II, blz. 28 en volg: 

*) Zij huwde te 's Hage met Philip Hendrik Baron van Lindaü , 
Kamerheer van den Prins van Hessen Kassei en overleed den I7en Maart 
1763 te Kassei. Eene van hare dochters huwde in 1774 aldaar met 
F. DB Beaülieü-Marconnat. 

») Zie over hem West-Indie, II, blz. 29. 

*) Zie Groot- Placcaatboek y Deel VI, blz. 1413. 



Digitized by 



Googk 



43 



behuwd-stiefzoon , van den overledenen Landvoogd en Ka- 
pitein der Infanterie bij het regiment van Thouars. 

Het is meer dan waarschijnlijk, dat de gebroeders de Gheus- 
sïs opvolgend tot Gouverneurs van Suriname zijn benoemd , uit 
aanmerking hunner verwantschap met den Gouverneur van 
Aekssen van Sommelsdijck. Aan hunnen grootvader was toch, 
bij art. 6 van het contract van den 21«" Mei 1683, toegezegd, 
dat zijne opvolgers bij voorkeur uit zijne meerderjarige nako- 
melingen zouden worden gekozen. ') Als een gevolg daarvan 
was ook reeds in 1688 aan zijnen zoon Fran^gis, — die voor 
den dood zijns vaders als Heer van ChMillon bekend was, 
en die in 1740 als Vice- Admiraal was overleden, — dus 
aan den oom der de Cheussbs , aangeboden om het bestuur 
der kolonie te aanvaarden , die echter daarvoor had bedankt. 

Welligt zal ook deze bepaling van art. 6 van invloed 
geweest zijn op de benoeming tot Gouverneur van Suriname 
van JoHAN Mahonij,') wiens moeder Anna van Aerssen 
VAN Warnhout, eene zuster was van de vrouw van den 
bovengenoemden Fran^gis van Aerssen van Sommelsdijck. 

J. A. H. DE Cheusses aanvaardde den 14*° December 



* ) .... „Gelijck ook , in cas van satisfactie van Sijn Ed. Gonveme- 
„ment, by deszelfs aflijvigfaeijt op SiJn £d. descendenten (bequaam g&- 
„oordeelt werdonde) favorable reflexie, voor anderen, tot de successie, 
„ende met preferentie sal werden genomen, in diervoegen, dat op die 
„gene van sjjne descendenten , deweicke den Heer van Sommblsdijx;k , 
„of bij Sijn Ed. leven sal nomineren , of bij testamente designeren , voor 
„de andere sal werden gereflecteert. Edogh niet capabel geoordeelt 
„sijnde , reflexie werden gemaakt op d'andere Sijn Ed. descendenten , 
„deweicke capabel sonde mogen wesen; gelijck oock in cas van de 
„minderjarige descendenten , op deselve (meerderjarigh geworden , ende 
„capabel bevonden werdende) insgelijcks met praeferentie voor anderen 
„sal werden gereflecteert." Zie verder West-JncUe , I, blz. 200 en volg: 

■) JoHAN Maiionij aanvaardde het bestunr den 22«n Januarij 1716 
en overleed te Paramaribo den 4«» October 1717, Hij was de «oon van den 
Kolonel Jagob Mahonij en van Awna van Aerssen en werd den as*» 
September 1711, tot Lnitenant- Kolonel benoemd. 



Digitized by 



Googk 



14 

1734 het bewind, doch overleed, na het bestuur slechts 
45 dagen te hebben waargenomen, den 25""* Januarij 1735 
aan eene djssenterie. Hij liet eene weduwe na (de dochter 
van den Gouverneur Temming), die na zijnen dood te 
Paramaribo beviel van eene dochter, ') doch weldra naar 
Nederland vertrok en ddar met Joachim Baron von Düben , 
hertrouwde. In bijlage III vindt men omtrent deze weduwe 
meerdere bijzonderheden vermeld. 

In Nederland was tot Gouverneur-Generaal aangesteld de 
Kapitein ter Zee Jgan Raije , Heer van Breukelerwaard , *) 
die den 22"*" December 1735 het bestuur der kolonie aan- 
vaardde. 

De weduwe van de Gouverneurs Temming en C. E. H. de 
Cheusses, (de vetula beata)^ begaf zich den 10 "Februarij 
1737 ten derdenmale in het huwelijk met den Gouverneur 
Raije : doch ook in het bezit van de^^en echtgenoot mogt 
zij zich niet lang verheugen, want reeds den 11*"" Augustus 
van datzelfde jaar werd hij haar door den dood ontrukt. 
Op haar 37' jaar was deze vrouw dus weduwe van d/rie 
Gouverneurs der kolonie Suriname, terwijl bovendien haar 
zwager en tevens behuwd stiefzoon , aldaar als Gouverneur was 
overleden. Uit haar laatste huwelijk werd , eenige maanden 
na het overlijden van den Gouverneur Raije , een zoon ') 
geboren. 

De Gouverneur-Generaal van de Schepper , de opvolger 



^) Deze dochter Jacomina Alexandrina Hendrika de Cheusses 
huwde met Jean Graaf van Sparre. 

•) Hij was de zoon van Joan Raije , Heer van Breukelerwaard , en 
van Aletta Catrina Bicker , en geboren in 1698. Hij werd aangesteld 
den 2ien Junij 1735, (zie Groot- Placcaatboek , deel VI, blz. 1415) en 
was eigenaar van de plantage Breukelerwaard. 

*) Deze zoon, oven als zijn vader Joan genaamd, vertrok reeds 
vroeg naar Nederland, werd doctor in de beide regten, later edelman 
bij de ambassade van de Porte en keerde nimmer naar Suriname terug. 



Digitized by 



Googk 



45 

van Raije , was, zoo als wij gezien hebben, den 17«"Octo- 
ber 1742 in het bestuur vervangen door Mauricius. 

Den 7'° Januarij van datzelfde jaar huwde de weduwe 
Baije ten vierdenmale met den Predikant bij de Waalsche 
gemeente te Paramaribo, At^ïhonij Audra '), doch ook 
dit huwelijk was van korten duur, daar Aüdea reeds den 
17^" Mei 1744 op de plantage Breukelerwaard overleed. 

Hoewel reeds toen ter tijd door Mevrouw Audra, vooral 
in overleg met haren vriend den Piskaal van lÏATiEwijN 
VAN Werven, zooveel mogelijk werd geijverd, om den 
geest van tegenstand tegen Mauricius aan te wakkeren, 
schijnt het dat haar é*» echtgenoot (Audra) den schijn van 
openlijke vijandschap eenigzins vreesde en haar tot bedaren 
zocht te brengen. 

De voornaamste botsing die in dien tijd tusschen Mau- 
ricius en Mevrouw Audra plaats had , was de volgende. 

Sedert den aanval in 1730 door de boschnegers op de 
afgelegene, aan Mevrouw Audra toebehoorende , plantage 
Bergendaal gedaan , waren aldaar tot bescherming eenige 
soldaten geplaatst. De gebouwen voor deze kleine mili- 
taire post *) waren op den zoogenaamden Parnassus- of 
Blaauwenberg opgerigt, zoodat de soldaten, om zich naar 
de rivier te begeven, over het terrein van de plantage 
moesten loopen. Reeds meermalen had Mevrouw Audra 
op hoogen en ongepasten toon bij Mauricius klagten 
ingebragt omtrent den overlast, haar door die bezetting 
aangedaan. In het journaal van den Gouverneur vinden wij 



») Als een vervolg op hetgeen vermeld is in de noot (7) op biz. 115 
van het ie deel van West-Indie , wordt in bijlage IV eene lijst gegeven 
van de predikanten bij de Hervormde Fransche gemeente te Paramaribo. 

•) Blijkens den staat, door ons medegedeeld in West-lndie, II, 
blz. 81 , bedroeg de sterkte van die bezetting in 1751 , l onder-officier 
en 17 man. 



Digitized by 



Googk 



46 

deu 6*» Februarij 1744 daaromtrent aangeteekend , rkt hij, 
deze zaak, die voor hem althans geene beteekenis had , 
willende bijleggen, aan zijnen Secretaris Jan Nepveü had 
verzocht met Auora daarover te spreken ; » doch tt zoo 
schrijft hij , // de Secretaris heeft niemand kunnen spreken 
^dan Mevronir Audra, die verre van zooveel toegevendheid 
//als ik in deze gebruik, met politesse te beantwoorden, 
/rmet de meeste hoogdravenheid en impertinentie verklaard 
//heeft absoluut dien w^ niet te sull^i permitteren en 
//degene die er op quamen de beenen te sullen laaten aan 
ü^stukken slaan. /^r ^^ 

Den volgenden dag, (7 Februarij 1^44), teekende hij 
in zijn journaal op: //Ik heb weder eenen brief ontvangen 
//van Madam Audra, *) waarin ik beschuldigd word van 
ff geweld en harde onredelijkheid , onbillijke vervolging tegen 
//ampt en pligt. Zij dreigt mij dat Audra bef en mantel 
//zal nederwerpen en aan het hoofd der gewapende slaven, 
iyde soldaten zal verjagen.// 

^NB. Tot nog toe heb ik de saak met die toegevendheid 
//behandeld als of Mevrouw Audra de Gouverneur was en 
//ik een domineesvrouw : nu wordt het tijd dat ik de Gou- 
f/vemeurslaarsen aantrek en haar doe begrijpen dat zij 
«rdomineesvrouw is.// 

Eene andere merkwaardige bijzonderheid, geschikt ter 



») Deze brief eindigt aldus: 

„YolherdoDde in 't vast voorneeme van geen Passasie over de Plantag 
„Bergendaal dan op den door uiij angeweesen weg te tollereere en hier 
„op mijn reght te sonteneere , laaten de aen onpartijdige over te oordeele 
^of deese onbilleke vervolging mjt amdt en pligUhalleve wordt gedaen, en 
„onder Prottestasie van estime en aghting van mg kan aengenoomen 
„worden. 

„Ik verbiyve met alle respect 

^ÜWE, Gehoorzame dienaresse, 
„C. E. Audra, geb. van der Lith." 



Digitized by 



Googk 



47 

beoordeeliiig van het karakter der weduwe Audra , wordt 
vermeld in het IIP deel van het Receuil en komt op het 
volgende neder. 

De Heer Cellieb^ ') Raad van Politie in Suriname wilde, 
na het overlijden in Nederland van zijne vrouw Hbsteb 
CoRNEUA DK RiuNEVAL , tcu tweedcu male huwen met 
CoNSTANTiA Maeia PiCHOT, wcduwc van den vroeger ge- 
noemden Kökaal Mr. W. G. tan Meel. 

Cellier verzuimde eenige formaliteiten voor de voltrek- 
king van zijn huwelijk noodig, althans de Gouverneur deed 
dit voor den tijd van 10 dagen uitstellen op den 21«° 
April 1748. 

Het blijkt uit de aanteekeningen van Maürigius, dat hij 
er niet aan twijfelde of Cellier , met wien hij op eenen 
.vriendschappelijken voet was, zou in persoon bij hem komen, 
waardoor de bezwaren uit den weg zouden geruimd kunnen 
worden. In plaats van dien, deed Cellier den Gouverneur 
tot opheffing der surcheantie sommeren. //Toen daarop geen 
//antwoord werd vernomen,// schrijft Mauriciüs, //namen 
*zij hun toevlugt tot het orakel der cabale. // En waarlijk 
Mevrouw Ad dra wist er raad op te vinden, want in den 
avond van denzelfden 21*" April 1748, ten 7 ure, werd, 
op eene clandestine wijze, doch met gróote plegtigheid, het 
huwelijk voltrokken door den Waalschen Predikant Bar- 
tholomeüs Loüis Düvoisin, die na den dood yan zijneij 
«>Uega Audra de liefde van diens weduwe had weten te 
winnen en sedert eenige maanden met haar was verloofd. 



*) Jan David Cellier, volgens Ma.uricius (i2ecei«*/ III , blz. 18 en 
vt)lg:) .,een man vaii go6d« manieren en afkomst,'' was eigenaar van 
Schoonoord , Welgelegen en eenige andore plantages en sedert FebfaarQ 
1747 Raad van Politie. Zijne eerste vrouw was eene dochter van den 
meergenoemden Kommandenr db Raukbval en van Anna Elisabeth 
Glimmer. 



Digitized by 



Googk 



48 

Deze plegtigheid geschiedde ten huize van Ds. Dqvoisin , 
onder de leiding van Mevrouw Audra, zijne bruid, en in 
tegenwoordigheid van hare dochter en haren schoonzoon 
CoDDERc , van Mevrouw Düplessis , en van eenige andere 
hoofden der cabale. 

Toen Maüricius dit den volgenden morgen vernam , be- 
paalde hij er zich toe , om bij notificatie bekend te maken , 
dat het huwelijk nul en van geene waarde was; waaraan 
Cellier zich wel aanvankelijk niet stoorde, doch later 
wendde hij toch groote moeite aan om zijn huwelijk 
te doen erkennen. Een langdurig proces over die zaak 
heeft in volgende jaren aan Maüricius nog vele moeijelijk- 
heden berokkend. Bij de verdediging van Maüricius in het 
Beceuil (bijlagen , IV*» deel, blz. 72 en volg:), worden door 
hem vele beschuldigingen tegen de Weduwe van Meel , 
geboren Pichot , opgeworpen en wordt hare verhouding tot 
Cellier vóór dit clandestine huwelijk zeer verdacht voor- 
gesteld. 

De weduwe Audra trouwde den 27" Mei 1748 te Pa- 
ramaribo, ten vijfden male, met den hierboven genoemden 
Ds. DüvoisiN, een' man die door elke partij als opvliegend, 
buitensporig en woest werd gemeden , zoodat het geen betoog 
behoeft, dat hij op de reeds zoo vijandig gezinde vrouw 
eenen nadeeligen invloed uitoefende. Dit bleek reeds vóór 
het huwelijk door eenen aanval van zijne bruid (de vetula 
beata) op den Hervormden Predikant de Ronde, waar- 
omtrent Maüricius in zijn journaal het volgende opteekent. 

//27 April 1748. 

//Ds. DE Ronde is mij zeer gealtereerd komen klagen, 
//dat hem heden Zaturdag , daar hij morgen ochtend moet 
//prediken, was toegezonden en door eenen gesworen clercq 
^was voorgeleezen een zeer langwijlige insinuatie van de 



Digitized by 



Googk 



49 



//wed. AüDRA , eenige vellen groot , vol allerlei vergiftige en 
//vuilaartige en (zoverre ik er van oordeelen kan) meest on- 
//waare verwijtingen. ^) Ik heb met hem geoordeelt, dat een 
//predikant, alhier op zijn studeerdag, behoorde ten minsten 
//hetzelfde privilegie te hebben, dat de jooden hier genieten 
//van op haar Sabbath en feestdagen vrij van geregtelijke 
//interpellatien te zijn , ten minsten zou men denken , dat 
//een Dominee' s dochter , weduwe en bruid, voor een dominé 
//meer egard zou hebben. ^^ 

DuvoisiN moeide zi.ch in deze zaak en deed de Ronde 
allerlei onaangenaamheden aan, ja zelfs liet hij hem, zoo als 
Maurioiüs aanteekent *) //op den deegen eijschen.// Eene 
briefwisseling tusschen den Gouverneur en Duvoisin gevoerd 
liep zoo hoog, dat de laatste Maurioiüs openlijk beschul- 
digde van misbruik van magt , inzonderheid ten opzigte van 
de, in dien tijd, als kolonisten in Suriname aangekomen 
Zwitsers. 

Bij de wederlegging van die beschuldiging, te vinden op 
blz. 428 en volg: van het IV® deel van het Recueil, deelt 
Maurioiüs belangrijke bijzonderheden omtrent de toen ge- 
nomene kolonisatie-proeven mede. 

Eeeds in 3 729 was aan de Directeuren het voorstel 
gedaan, om de bevolking der kolonie te vermeerderen door 
het aanvoeren van boeren-familien uit de Paltz, die, naar 
men geloofde, uitmuntend voor kolonisatie geschiet waren. 
Aan dit voorstel werd evenwel geen gevolg gegeven; doch 
in 1734 werden de pogingen, nogmaals aangewend om de 
Directeuren tot eene proefneming te bewegen, met eenen 



») DB RoNDB zou zich ovcr hare vrijerij met Duvoisin spottend uit- 
gelaten hebben. 

•) Wij vinden ook in zijn journaal dat Duvoisin Ds. de Ronde 
noodzaakte om naar de Engelsche koloniën te vertrekken. 

4 



Digitized by 



Googk 



50 

gunstigen uitslag bekrüoud. Er werdeu eenige famüien op 
voor hen zeer gunstige voorwaarden aangeworven en naar 
Suriname oveïgebragt, waar zij, ruim van vee en gereed- 
schappen voor den landbouw voorzien , in goede woningen 
en op daartoe gereed gemaakte gronden aan de rivier de 
Boven-Suriname , op de hoogte van de plantage Rama, 
werden gehuisvest. De eerste huisgezinnen kwamen den 6*"» 
Februarij 1737 te Paramaribo aan. Deze kolonisten ge- 
droegen zich, naar het schijnt, allen zeer slecht, weigerden 
eenig werk te verrigten , verlieten hunne standplaatsen en 
gaven ^ich aan het miebruik van sterken drank over. Deze 
pro^ftieming werd daarom nog niet als mislukt beschouwd 
en af en aan werden nieuwe kolonisten aangevoerd. Wij vinden 
aangeteekend dat den 27" Augustus 1747, voor de laatste 
maal , familien Paltzer boeren in Suriname werden aan- 
gebragt. 

Ook deze schijnen niet te hebben voldaan , althans de 
Directeuren besloten, zoo als z\j in hunnen brief aan de 
A-lgemeene Staten van den 18"" December schrijven: //om 
//was 't doenlijk dit kwaad// (het wegloopen der boeren 
van hunne standplaatsen) //te stuiten, expres een menseh 
//na Switserland te zenden, om van daar een notabel aantal 
//van familien ten onzen privé kosten te engageren, om 
//na Suriname te worden overgevoert. Hij is daarinne ook 
//gereusseert ; en wij hebben die familien doen plaatsen op 
//de grensen der kolonie ten einde daardoor de strooperijen 
//der wegloopers te beletten en haar selfs in respect te 
//houden. Wij hadden ook nog twee jaren te voren ten 
//gelijke fine een transport boerfamilien van hier na Suri- 
//name gezonden en tot een en andere notabele kosten 
//gespendeert.// 

De eersten van de hier bedoelde Zwitsers kwamen dertig 
in getal den 14""* October 1748 met den Kapitein van 



Digitized by 



Googk 



51 



M££I)£N in Suriname aan, onder de leiding van zekeren 
doctor Bussij , dien de Directeuren als opzigter en tevens 
als geneesheer hadden toegevoegd. 

Het plan was toen reeds om hen te plaatsen langs den 
later getraceerden Oranjeweg, loopende van de Boven- 
Suriname bij Eama, over de Para, tot aan de Saramacca. 

De proefneming met Zwitsers leverde spoedig ook niets 
dan teleurstelling op, want het duurde niet lang, of velen 
stierven, terwijl de overigen weerspannig werden en zich 
over het algemeen op eene ergerlijke wijze gedroegen. 

Door DuvoisiN nu werd deze mislukking en de groote 
sterfte toegeschreven aan de verkeerde maatregelen van het 
bestuur. Zoo zouden, volgens hem, de Zwitsers door de 
onbekwaamheid en het slecht gedrag van Büssij , — " die 
op eene onverantwoordelijke wijze door den Gouverneur 
beschermd zou zijn , — aan den drank geraakt en gestorven 
zijn, terwijl ook de plaatsing op de naride gronden van 
ff Par af/ alleen geschied zou zijn, om de landen van 
Strube ^) tegen de aanvallen der wegloopers te dekken. 

Maukiciüs wederlegt deze beschuldigingen zeer krachtig 
(zie Recueil^ IV, blz. 429 en volg:). Hij schrijft de mis- 
lukking daaraan toe dat, //de Switsers overal getoont hebben 
//luije en wederspannige vlegels te weezen, gelijk ook de 
/'meiden zig doorgaans zeer slegt gedragen hebben. // Hij zegt 
verder : //Dat er vele Switsers gesturven en ziek geweest zijn , 
// zal 't crediet der colonie niet beneemen dewijl men in vorige 



1) De Raad van Politie Willek Carel Strübe, eigeQaar der plan- 
tages Cbatillon aan de Sariname en Hanover, toen Copinawabo ge- 
naamd, aan de Para, huwde den S^» Februarij 1750 met de oudste 
docbter van den Goayerneor MiLÜRicius. Haar eerste man, de Raad- 
fiskaal Mr. N. A. Kohl , overleed den 27» October 1T48 en leefde 
dos Dog toen de Zwitsers aan de Para gevestigd werden. (Zie ook Weau 
Indie , II , blz. 40.) 



Digitized by 



Googk 



//gevallen met Paltzers eu andere, en nog verschelijk met 
//de mineralisten , zulks vaiT nieuwkomers gewoon is; dog 
//'t zou 't crediet der colonie zeer kunnen beneemen , zoo 
//men geloofde dat die sterfte quam door verzuim der re- 
//gering. Dit predikt Ds. Düvoisin en zoo er vervolgens 
//discrediet uit voorkomt , heeft hij en niemand anders 't 
//op zijn conscientie. // 

Wat het beweren Van DuvoisiN betreft, dat Mauricius 
BussiJ zou hebben in bescherming genomen , schrijft hij : 
//Ik defieer deezen lasteraar te bewijzen dat ik ooit aan 
//eenig lid van 't hof aanzoeking heb gedaan om Bussij 
//te epargneren. // 

//Het plaatsen der Switsers aan de Para tot dekking van 
//de gronden van Strube, eigenaar der plantage Hanover, 
//is zeer aardig gevonden door DuvoisrN,// zegt Mauricius, 
//ora aan oningewijden den indruk te geven dat dit werke- 
//lijk zoo is geschied; doch Düvoisin vergeet dat Strube 
//eerst twee jaren na de plaatsing der Switsers met mijne 
//dochter, wiens eerste man toen nog leefde, is getrouwd. 
//Ook behoorde Strube in 1748 nog tot mijne tegenstan- 
//ders , waarvan het bewijs wordt gevonden in de mede- 
//onderteekening van de procuratie der cabale. Staat 
//overigens niet duidelijk in de resolutie van den 2«° No- 
//vember 1747, art. 14, dat het dessein is de Switsers te 
//plaatsen in de bovenlanden tusschen de Saramacca, Para 
//en Pamassusberg? ^) zoo als UE. uit 't nevensgaande 
//originele stuk, na 't welke Ds. Düvoisin het zijne geco- 
//pieerd heeft, zien kunnen. Maar hoe! ai-je la berlue? in 



*) In 1752 zijn onder den Generaal vonSpörckb nogmaals pogingen 
gedaan om eene uitbreiding aan deze kolonisatieproef te geven, door 
het daarstellen van eene militaire kolonie aan het Oranjepad. De 
plannen door den Lnitenant-Kolonel de Bbkmont gemaakt vindt men 
in het V* deel van het Üerutil. 



Digitjzed by 



Googk 



53 



//de copie van Ds. Duvoisin is 't woord Tata overgeslageu. 
//Verre van mij dat ik zoo een heilig man capabel zou 
//denken , om dit met voordagt gedaan te hebben ? Ik wil 
//liever gelooven (schoon daartoe een groot geloof behoort) 
//dat het alweder een concours fortuit des atómes is. Doch 
//ten minste is 't een culpa latissima, quae aequiparatur 
//dolo.// 

Duvoisin, waarschijnlijk aangehitst door zijne vrouw, 
maakte het zoowel den Gouverneur als zijne collega's zoo 
lastig, dat de classis te Amsterdam zich met de zaak 
bemoeide. 

In eene memorie, onder dagteekening van den 3*^° No- 
vember 1751, door de classis opgemaakt, leest men: //Zoo- 
//lange deeze Ds. Duvoisin in de colonie blijft, en door 
//zijn onrustig humeur , aangezet door de heerschzuchtigheid 
//van zijne vrouw zijnde een dogter en weduwe van een 
//predikant en van twee i) Gouverneurs, Gods kerke aldaar 
//blijft beroeren, vreesen wij dat wij telkens na nieuwe 
//sujetten voor den predikdienst aldaar zullen moeten blijven 
//omzien.// 

Tot zijnen dood (1 November 1751), bleef Duvoisin 
een woelgeest. Zijne weduwe die vijf mannen , ') drie gou- 
verneurs en twee predikanten, had overleefd, overleed, na 
eene ziekte van acht dagen den 6®" Augustus 1753, te 



<) De classis, sprekende van iwet Gonvernears, heeft den (/«rcfen van 
hare echtgenooten over het hoofd gezien. 

«) In de Reize, in Suriname van J. G. Stedman, 1© deel, biz. 41 , 
leest men : „Da Surinaamsche vrouveen leven in waarheid zoo lang in 
„vergelijking van hunne mannen, dat ik er verscheide gekend heb» 
„die er 4 begraaven hebben en dat ik in dit land nooit een enkel 
„man gezien heb , die twee vrouwen overleefd heeft. " De juistheid van 
deze opmerking wordt niet «alleen door het geval van Mevrouw Du- 
voisin, maar ook door dat van vele andere in deze bladzijden ge- 
noemde vrouwen gestaafd. 



Digitized by 



Googk 



54 

Paramaribo , in den ouderdom van 53 jaren , *) en werd in 
het fort Zcelandia begraven. 

In familie-aanteekeningen leegt men van haar: //Zij was 
/yeene zeer verstandige vrouw , hebbende in de zaaken van 
//den Gouverneur J, J. Mauricius een sterke parthij geweest,//- 
welke woorden ons niet onjuist gekozen toeschijnen- 

Als den meest hartstogtelijken tegenstander van MAuai- 
cius, hebben wij hiervoren Salomon Düplessis genoemd, 
die door dezen als een //woeste kwade kaerel/r wordt 
voorgesteld, en zich dan ook werkelijk als zoodanig heeft 
leeren kennen. Düplessis kwam als Advocaat der West- 
Indisohe Kompagnie in Suriname, werd in 1738 door den 
Gouverneur van de Sche:ppeb tot zijnen Secretaris benoemd, 
en keerde na zijn huwelijk met de rijke weduwe Pichot *) 
tot het ambtelooze leven terug. Hij werd in April 1741 tot 
Baad van civiele Justitie en in January 1745 tot Raad van 
Politie verkozen. Vooral in deze laatste betrekking maakte 
hij het Maüeiciüs , tegen wiea hij eenen bijzonderen haat 



*) Zij liet drie kinderen na : Mevrouw Coüderc , Mevrouw db 
LiNBAu en JoAN Raijb , die met de weduwe db Chbussbs (later Me- 
vrouw TON Düben) de haar toebehoorenJe plantages Brenkelerwaard en 
Bergendaal verdeelden, welke dan ook thans nog voor een groot ge- 
deelte aan hare erven toebehooren. 

Hare eenige zuster Geertruida Lucia Anna tan der Lith , geboren 
den 23ea October 1710, huwde in 1734 met den Oud-Raad van Politie 
GiDBOK DE Graafv, zQon vau Adriaan db Graaff, Secretaris van 
het Hof in Suriname, en van ëhilia Regiga Broen (zie West-Indie,l, 
blz. 202 noot), G. db Graaff overleed te Zaltbommel; zjj hertrouwde 
met JoHAN Denib. 

9) Jou ANNA Marqarbtha TAN SxRijp (dochter van Jan tan Strijd 
en J. M. de Bruijn) , was eerder weduwe van Danibl Pichot Isaac- 
zoon , uit welk huwelijk zg 2 kinderen had : Isaac en Jan Willbm 
Pichot. Zij was eigenaresse van de plantages Penoribo en Siparipabo aan 
de Boven -Co mmewijne, La Paix aan de Pauluskreek en de Hoo]» aai> 
de Suriname. 



Digitized by 



Googk 



koesterde, iu de zittingen van het Hof zoo lastig, dat deze 
zich genoodzaakt zag menigmaal de vergadering te schorsen 
om aan het vloeken en tieren van Düplessis een einde te 
maken. 

Buiten de reeds genoemden, namelijk DüpiiEssis, Cham- 

BEIER, l'AhCHEU VAN KeENENBUKG , HalEWIJN VAN Wer- 

VEN en Mevrouw Audra , behoorden nog tot de ergste 
ontevredenen de Raden van Politie Nicot>aas Freher, *) 
Jan David Celuer, Dirk Guldénstêedbn , *) Mr. Sa- 
MUEL Pauj.us Pichot,') Johannbs Mof.L, *) Isa AC Go- 
DEFROij en JoHAN GoDFRiED SüLTZ , de Raden van civiele 
Justitie Jan Pietersse Visser , Bstienne Coüderc (schoon- 
zoon van Mevrouw Audra), en Jean Paul Taunay. Deze 
laatste was door de //cabale// belast met het voeren der 
briefwisseling en het stellen der belangrijkste stukken. Hij 



*) NicoLAAs Freher, OntvangcT der hoofdgelden in 1740 en Jater 
der in- en uitgaande regten , werd den 20^°^ December 1 748 Haad van 
Politie en was gehuwd met Philipï^ine l'Espinasse , dochter van Fran- 
^Ois L'EsPiiCAftSE » Baad van civiele Judtitie in 1719, die voor een der 
rijkste ingezetenen der kolonie werd gehouden , en van Anna van Ruk. 
Freher was eigenaar van de plantages Weltevreden aan de Beneden- 
Commewijnc , Charlottenburg aan de Cottica en Bel-^-soir aan de Paülus- 
Kreek. 

*; DiR£ Guldensteeden werd geheel geleid door zijnen stief-schoon- 
vader Jan Pieterssb Visser . een' der ergste cabalisten. Hij werd Raad 
van Politie in April 1743 en wordt door Maüricius veelal aangeduid 
onder zijnen kolonialen bijnaam van Dirkje-Speel-op. 

«) Mr. S. P. PiCHOT, zwager van Düplessis en van Cellier, werd 
in Januarij 1743 tot Raad van civiele Justitie en in Mei 1744 tot Raad 
van Politie benoemd. In April 1761 werd hij provisioneel tot Raadfiskaal 
bevorderd. Ook hij was met eene jufvrouw l'Espinasse gehuwd. Hy 
was eigenaar van de plantages Patience aan de Cottica, Zorgen Hoop 
en Montrésor aan de Beneden-Commewijne. 

4) JoHANNES MoLL was aaulcggor en eigenaar van de plantage Mol- 
hoop. Hij werd den 20<» December 1748 Raad van Politie en was 
gehuwd met Anna Amelu Bertrand. Zijne dochter was gehuwd met 
den Procureur Pietbr Brouwers , een van de ijverigste cabalisten en 
in 1752 Raad van civiele Justitie. 



Digitized by 



Googk 



. 50 

wordt dan ook door Mauricius steeds de f/ penstanaris der 
t/cahaleff genoemd. (Zie Recueil^ IP deel, blz. 62 enlll'' deel, 
blz. 1). Taunay was vroeger Secretaris van den Gouverneur 
Baije, later (in 1740) Ontvanger der modique lasten en 
in 1744 Raad van civiele Justitie. *) Vooral in de laatste 
betrekking maakte hij het den Gouverneur zeer lastig. 

Eindelijk mogen wij niet vergeten onder de tegenstan- 
ders van Mauricius te noemen den Secretaris van het hof 
van politie Ephraïm Comans Scherpingh *), die gehuwd 
was met de weduwe van der Beets, eene vrouw door 
Mauricius in zijn journaal meermalen als //dat kwade 
/^wijf// en //de gouvernante van de waterkant// aangeduid. 
Dat eene //cabale/r uit zoodanige rijke en invloedrijke per- 
sonen te zamengesteld , die bovendien nagenoeg allen met 
elkander waren verwant, in eene kleine maatschappij zoo 
als Suriname, den Gouverneur vele moeijelijkheden wist te 
berokkenen, valt ligt te begrijpen. 

Behalve de vele betrekkingen, waarin Mevrouw Audra 
tot vele der cabalisten stond, waren onder anderen nog 
Cellier en Mr. S. P. Pichot zwagers van Duplessis; 
Mr. S. P. Pichot, N. Preher en J. P. Taunay, met drie 
zusters l'Espinasse gehuwd, waren alle drie zwagers van 
den Eaad van civiele justitie Pierre Prederic l'Espinasse. ') 
De stiefdochter van Scherpingh , jufyrrouw van der Beets, 
was gehuwd met Jan Willem Pichot, den neef van 



1) Hij was gehuwd met Suzanna l'Espinasse , eene zuster van de 
Trouwen van Fabhbs en van Pichot en overleed te Paramaribo den 
2l«" April 1748. Hij was eigenaar van de plantage Vertrouwen aan de 
Beneden-Commewijne. 

*) ScHERPiNGH was eigenaar en aanlegger van do plantages Lust en 
Bust aan de Suriname en Paracouba aan de Pauluskreek. Hij was 
Secretaris van het hof van politie sedert 1737. 

») Deze was eigenaar van de plantages Fredcriksburg aan de Bene- 
den- , en TEspérance aan de Boven-Commewijnc. 



Digitized by 



Googk 



57 

S. P. PiCHOï en den stiefzoon van Dupi.eösis; Brouwers 
was schoonzoon van Moll, Guldensteeden van Visser, enz. 

Het eerste oj^enlijJce blijk van vijandige bedoelingen werd 
door de ontevredenen in Maart 1747 gegeven, toen zij 
besloten om Salomon Düplessis '), op gezamenlijke kosten, 
als gevolmagtigde naar Nederland te zenden , ten einde 
aldaar klagten over het bestuur van Mauricius in te 
brengen en zijne terugroeping te bewerken. 

Daartoe werd Düplessis voorzien van eene procuratie, 
den 2«» April 1747 door alle leden der cabale geteekend. 
De teekenaars werden openlijk geworven en velen lieten 
zich daartoe door dreigementen van de veelvermogende 
vijanden van den Gouverneur overhalen. Het bleek dan 
ook later, toen Mauricius, ter zake moetende berigten, 
een onderzoek naar die aanwerving van teekenaars deed 
instellen, dat velen, tegen beter weten, den Gouverneur 
hadden beschuldigd, alléén uit vrees voor de magtige 
cabalisten. 



*) Salomon Düplessis was eigenaar van de plantage Bergen-op-Zoom 
aan de Bovcn-Commewijne en Administrateur van vele plantages , o. a. 
van die van de erven G. en C. Pater, welke twee broeders, de rijkste 
ingezetenen der kolonie, gehuwd waren geweest met de beide dochters 
van den Gouverneur van de Schepper, eigenaars waren van de plan- 
. tages La Jalousie en Beekhuizen. Mauricius meende dat de „cabale" 
hem naar Nederland zond, op aanraden van twee zijner vrienden (?), 
die, na zijn vertrek uit Suriname, met die voordeelige administratien 
werden belast, en dat Düplessis het er op had toegelegd om in zijne 
plaats tot Gouverneur der kolonie te worden benoemd. 
Een Krom WEL in het klein, die 't ruiterlijk gezicht, 
Mêe weet te mommen, als een Engel van het lichf, 
En heimlijk loerde om met het geld en lange Tingeren 
Der broederschap zich zelf in 'sLandvoogds plaats te slingeren, 
Gelijk de Broeders weer hem met gelijke trouw, 
Behandelden, en doof voor het schreeuwen van zijn* vrouw, 
Hem volmagt en voogdij ontdraaiden d'een na d'ander. 
Waar aazen wolven in de bosschen op malkander I 
Zie „het gezang op zee" en Recueti , IV, hlz, 374, 378 en 379. 



Digitized by 



Googk 



58 

Maüricius beklaagt zich daarover zeer en schrijft van 
deze gedwongen teekenaars aan de Staten-Generaal : //Wie 
//kan op die wijze alhier een oogenblik gerust zijn, dewijl 
//men in een dag de dolste onderteekeningen kan werven, 
//en zelfs verklaaringen inwinnen, om den eerlijksten man 
//aan de galg te brengen? Een kuijl vol leeuwen is een 
//veiliger woonplaats dan een land met sulke inwoonders.// 
{Recueil, II, blz. 29). 

Kort na de aankomst van Duplessis in Nederland diende 
hij, den 81*" Julij 1747, aan de Staten-Generaal een zeer 
uitvoerig request ^) in, waarbij hij een groot aantal be- 
schuldigingen tegen Maüeicütjs inbragt en met het verzoek 
eindigde, om dezen ten spoedigste naar Nederland te ont- 
bieden, ten einde zich over zijn bestuur te verantwoorden. 
Tot staving van zijne beweringen legde hij eene menigte 
bewijsstukken over, waaronder de bovenvermelde procuratie 
van den 2'*^ April 1747 en ook eene volmagt, hem onder 
dagteekening van den 20"" Julij 1747, door de voor- 
naamste belanghebbenden bij de kolonie Suriname te Am- 
sterdam gevestigd afgegeven. 

Later- bragt Duplessis, opvolgend bij zijne requesten 
van den 28*° September en den 31®" October 1747, van 
den 16^" Februarij 1748, van den 13*" Februarij, den 2*" 
April, den 18*" Julij en den 25*" Augustus 1749, van den 
12*" Maart en den 13*" Junij 1750, en van den 3*" Mei 
1751, nieuwe klagten bij de Staten-Generaal in. 

De geheele behandeling der zaak en van de later daaruit 
ontstane procedure, met alle daarop betrekkelijke bewijs- 
stukken, wordt aangetroffen in het meergenoemde, in 1752 
te Amsterdam in 5 folio deelen , gedrukte Recueil van echte 



*) Dit en de latere requesten, met de berigten van de Directeuren 
der Sociëteit en de resolutien der Algemeene Staten, zijn te viudeii in 
het l'te DeeJ van het Recueil. 



Digitized by 



Googk 



59 

stukken. Het Recueil beveelt zich, om zijne buitengewone 
langwijligheid en ook uit den aard van het daarin verhan- 
delde, geenszins ter lezing aan, doch men vindt daarin 
zeer vele bijzonderheden aangeteekend, die over den toen- 
maligen toestand der kolonie en over het bestuur van 
Maubiciüs een helder licht verspreiden. Ook zijne schrifte- 
lijke verantwoording, vervat in uitvoerige berigten aan de 
Directeuren en aan de Staten-Generaal, is in zijn geheel 
in dat Recueil opgenomen en levert het bewijs van lajne 
buitengewone bekwaamheden en werkzaamheid, vooral wan- 
neer men in aanmerking neemt, dat Maümcius toen aan- 
houdend ziek was, zoo als hier ook later menigwerf zal 
blijken uit aanhalingen van zijne geschriften. 

Onder dagteekening van den 1®"* Augustus 1748, schreef 
hij aan de Staten-Generaal: //Zo ik ooit consideratie of 
//medelijden verdiend heb, H. M. H., geeve ik met respect 
//in overweeging, welken bitt-eren uitspanning 't voor mij 
//weesen sal, wanneer ik afgemat van de ordinaire occupa- 
//tien van mijn ampt, de uuren sal moeten soeken om dit 
naugiae-stabulum schoon te maken, vooral in dit saisoen, 
//nu wij den gevaarlijken droogen tijd voorhanden hebben 
//en dagelijkx niet hooren , dan van kranken en stervenden , 
//gelijk ik desen schrijf met binnenkoortsen en swaare hoofd- 
//pijn, geest en lusteloos.// {Recueil^ II, blz. 285). Met de 
volgende merkwaardige woorden beschrijft Mauricius in 
eenen brief aan de Staten-Generaal, van den 15"* Decem- 
ber 1748, te vinden op blz. 21 van 3^® deel van het 
Recueil^ de moeite, die de verdediging van zijne zaak hem 
kostte. //De deplorabele toestand, waarin ik thans ben zoo 
//naar geest als naar ligchaam, zal, hoope ik U H. Mog. 
//indulgentie verdienen, doch daarom zal ik de zaak niet 
//traineeren , verre van dien, flatteer ik mij tot hiertoe reeds 
//bijna boven menschelijk vermogen getoont te hebben, hoc- 



Digitized by 



Googk 



00 

//verre een eerlijk hart een swak ligchaam kan opbeuren, 
//om een laatste efibrt te doen tot vindicatie van desselfs 
//beledigde honneur.// Op eene andere plaats (Hecueil, II, 
blz. 478) schrijft hij nog: //Ik defieer den werkzaamsten 
//en gezondsten Haagschen advocaat hier in deese smoorende 
//hitte in één jaar tijds, meer werk af te maaken dan ik 
//gedaan heb, schoon hij anders niets te doen had, daar 
Af ik bij, dit suure ampt nog heb moeten waarnemen, en 
//door geduurige toevallen van siekte belemmerd ben geweest.// 

Dat ook de Directeuren der Sociëteit de werkzaamheid 
van Mauricius wisten te waarderen, blijkt uit deze zin- 
snede, voorkomende in eenen, den 9A^ Maart 1750, door 
hen aan de Staten-Generaal geschreven brief: //U H. M. 
//en een ieder zal aan den Gouverneur Mauricius het regt 
//moeten doen van te betuigen dat het onbegrijpelijk is, 
//hoe een mensch alleen, als den Heer Mauricius, buiten 
//hulp van practizijns en advocaten en zonder de zaken van 
//zijn ampt te verwaarloozen , in staat is geweest dat alles 
//uit te voeren.// 

Wij zullen hier niet al de punten van beschuldiging 
tegen Mauricius ingebragt en zijne verdediging daarop in 
bijzonderheden nagaan, maar ons bepalen met alléén die 
zaken, te behandelen, die of tot wetenswaardige voorvallen 
hebben aanleiding gegeven, of dienen kunnen om het ka- 
rakter van Mauricius meer van nabij te leeren kennen. 

Overigens vindt men de meeste punten van beschuldiging 
te zamen gevat in de zoogenaamde verzoekpunten van redres *), 
een geschrift in 1751 door de ontevredenen aan de uit 
Nederland gekomen Commissarissen ingediend. 

Het laatste of 52"** artikel van deze verzoeicpunten wordt 



<) Zie deze verzoekpuntên van redres in Hartsinck, II, blz. 818 — 
854, en met de aanteekeningen van Mauricius verrijkt, ook in het 
Eecueil, ö^e Deel, blz. 10—54. 



Digitized by 



Googk 



Gl 



liier medegedeeld, om een denkbeeld vau de opgewonden- 
heid der gemoederen te geven. 

//Art. 52. Laatstelijk: dat terwijl de Regeering van de 
//Heer Gouverneur Mauricius zedert den beginne af zeer 
//ongelukkig en voor de colonie zeer nadelig is geweest, en 
//dat' er zedert lange, zoo vele klagten tegens Z. Ed. zijn 
//ingebragt, en dagelijks nog accumuleeren, de supplianten 
//voor 't besluit de vrijheid neemen te versoeken , ja met 
ff de allernadruhhelijhate instantie te êmeeien^ dat U. E. M. 
//gelieven den gemelden Heer Gouverneur Maueicius af te 
//danken, naar den vaderlande ten allerspoedigsten te ver- 
//senden, en dat een andeï persoon in Z. Ed. plaats mag 
//werden aangesteld, waardoor de rust, vreede en harmonie 
//onder de ingezeetenen weder herleven zullen en alle dis- 
//puten aan eene zijde gesteld zijnde, een ieder zig een 
//glorie zal maaken, het welzijn van deese importante co- 
//lonie uit te werken.// 

In de eerste plaats werd aan Mauricius ten laste ge- 
legd, dat hij van zijne magt misbruik had gemaakt, ten 
einde invloed uit te oefenen op de verkiezing van leden 
voor de beide hoven. 

Hij verdedigt zich tegen deze beschuldiging door een- 
voudig op te merken, dat nagenoeg al de leden der beide 
hoven tot zijne hevigste tegenstanders behoorden en dat, 
indien hij al op de verkiezingen invloed had kunnen of willen 
uitoefenen , hij zeker niet zoude hebben medegewerkt om juist 
die^ welke hem vijandig gezind waren, ter doen verkiezen. 
Aan de betere behandeling van zaken, waardoor de werk- 
zaamheden van de leden der hoven belangrijk vermeerder- 
den, moet dan ook die beschuldiging worden geweten, 
want zoo doende waren onbezoldigde betrekkingen van 
eer eposten, lastposten geworden. 



Digitized by 



Googk 



62 

Eene tweede beschuldiging was het maken van onderscheid 
tusschen vrienden en vijanden bij elke begeving van ambten. 

Zoo werd Mauricius, zoo als wij hierboven reeds zei- 
den, ten laste gelegd, dat hij de familie Nepveu buiten- 
gewoon had bevoordeeld door Jan Nepvetj*) tot Secre- 
taris, en diens ouderen broeder Aubin tot exploiteur te 
benoemen. Vooral deze Aubin Nepveu *) had zich de on- 
genade der cabale op den hals gehaald, en was dikwijls, 
ten gevolge harer lasterlijke aantijgingen, genoodzaakt tot 
het voeren van moeijelijke en kostbare processen. Ook werd 
aan Mauricius verweten, dat hij de voordeeligste ambten 
der kolonie, die van Vendumeester en van Ontfanger der 
hoofdgelden, aan zijne beide zonen, Pieter en Andeeas, 
had vergeven. Eindelijk nog zou hij den Advocaat van 
Alten A »), vollen neef van zijne vrouw, op eene buiten- 
gewone wijze in zijne praktijk bevoordeeld hebben. 

Toen de vijanden hunne aanvallen openlijk tegen Mau- 
EiciTJs rigtten, had deze, ter handhaving van zijn reeds 
zoo miskend gezag, eenige malen gebruik moeten maken 
van het hem toegekende regt van ^politieke mtzeUing.ff 
Zoo vond hij in het belang der rust dringend noodig om 



*) Jan Nepveu werd in 1742 Secretaris vaaa Maubiciüs, in 1745 
Secretaris van het hof van politie, in 1754 daarbij 2de Baad-fiskaal, 
in 1762 1ste Fiskaal, in 1756 en in 1768 Gouverneur-Generaal a. i. 
en van den 27"* Oetoher 1769 tot- aan zijnen dood op den 27*»^ Fe- 
bruarij 1779 Gouverneur-Generaal effectief. Zie over hemvooral West- 
Indie, II, biz. 40—49. Jan Nepveu was toen eigenaar van de plan- 
tages Appecappe aan de Perica , Statenburg aan de Cottica en Singularté, 
aan de Beneden-Commewijne. 

«) Zie Reaielt, II, bias. 184 en volg. en het XXX«te artikel der ver- 
zoekpunten van redres. Aubin Nepvbu was eigenaar van de plantages 
Vrouwenvlijt aan de Orellanakreek en Topibo aan de Para. Hij was 
gehnwd met Suzanna Kors. 

») Mr. GsRARD DiEDERiK VAN Altena , wicns moeder eene zuster 
was van den Hoogleeraar Boebhave en tante van Mevrouw Mau- 
Ricius. Hij was gehuwd met Emilia Merkes. 



Digitized by 



Googk 



f)3 



in het begin van 1747 den Burger Kapitein Isaac Carilho, 
en in December van datzelfde jaar de Eaden van civiele 
justitie en tevens Burger Kapiteins Jan Pietehssb Vissee *) 
en EvEKARDüs Brouwer te gelasten onmiddellijk de ko- 
lonie te verlaten. Ongelukkigerwijze kwam het schip van 
Kapitein Pieter Gotjk, waarop Visser zich had inge- 
scheept en dat Suriname den 8** December 1747 verlaten 
had, nimmer teregt, terwijl Brouwer te Morlaix overleed, 
nadat het schip, waarmede hij was vertrokken , door Fransche 
kapers genomen en aldaar binnengebragt was. 

Evenmin kwam er ooit iets teregt van den Eaad van 
Politie JoHAN Godfried Sültz, *) die, door Mauricius 
uit zijne betrekking ontslagen , naar Nederland was ver- 
trokken, om zijne klagten daarover in te brengen. 

Deze ongelukken werden natuurlijk èn door de betrek- 
kingen van de zoogenaamde // slagtoffers van den despoot // 
èn door de gansche cabale geheel aan Mauricius geweten, 
en de vde beschuldigingen daaromtrent ingebragt, hoe on- 
gegrond ook , schijnen in Nederland op de oningewijden 
eenen zeer ongunstigen indruk ten opzigte van Mauricius 
te hebhen te weeg gebragt, dien hij echter door zijne op- 
volgende >y berichten // wel weder heeft uitgewischt. 

Zoo als bij dergelijke aanklagten gewoonlijk plaats heeft , 
had ook Duplessis aan Mauricius eene groote mate van 
inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat toegeschreven. 
Mauricius laat zich hierover op deze wijze uit: //Nooit 



*) Jan Pietersse Visser, een der hevigste cabalisten, was gehuwd 
met de weduwe Tan den Raad van politie J. L. Wribdt, geboren 
Graffort en eigeoaresse van de plantages Ornamibo, Rorac en Ja- 
gersbwg. Hij liet geene kinderen na, doch eene voordocbter van sijne 
vrouw was getrouwd met den bovengenoemden Guldensteedek; Zijne 
weduwe buwde ten derdenmale met A. H. L. Baron tan Wangenheim. 
(Zie West-lndtBy II, blz. 33). 

•; Hij was eigenaar van de plantage St. Eustatius aan de Suriname. 



Digitized by 



Googk 



CA 



//is een aansienlijk amptenaar door 't gemeen geattaqueerd 
//geweest, of men heeft hem altijd beschuldigd dat hij zijn 
//beurs had gemaakt.// 

In het 2' deel van het Recueil (blz. 309 en volg:) toont 
Mauricius op eene afdoende wijze, met cijfers aan, dat 
die beschuldiging geheel valsch is , en dat hij de meeste, 
hem als Gouverneur toekomende emolumenten aan anderen 
had afgestaan. Hij klaagt zeer over de aantijging van 
DüPLESSis , dat hij als Gouverneur aanzienlijke voordeden 
zou hebben genoten, door het aannemen van geschenken 
voor bewezene diensten. Daar Düplessis geen enkel feit 
tot staving van die beschuldiging had aangegeven, ver- 
meende Mauricius teregt, dat dit op zich zelf reeds als 
een bewijs voor hare onwaarheid moest worden aangenomen. 

Naar zijne meening toch zouden Düplessis en de ge- 
heele cahale^ waaronder zijn met alle geheimen bekende 
Secretaris Scherpingh, niet verzuimd hebben aanteekening 
te houden van het geringste geschenk, onder welken vorm 
ook, hem, Mauricius, gegeven, om dit bij eene beschul- 
diging als bewijs te kunnen bijbrengen. Overigens erkent 
Mauricius dat, naar men zeide, zijne voorgangers *) ge- 
schenken zouden hebben aangenomen, maar, voegt hij er 
bij : // Men zal mij niet qualijk neemen dat ik 't zeer hard 
/r vind met de schulpen geworpen te worden, als anderen 
//mogelijk de oesters gegeeten hebben.// *) 

>) Zoo verhaalt men dat een der Kommandeurs , gedurende zijn 
voorloopig bestnnr, van eenen planter eene tentboot met 8 negers als 
roeijers , ten geschenke zou hebben aangenomen. 

*) In zijn journaal vindt men opgeteekend dat de Directeur van eene 
nabij la Simplicité gelegene plantage, die de procuratie der „cabale" 
mede had onderteekend, te Paramaribo had verteld, hoe eene lading 
steenen, bestemd voor den opbouw van het fort Nieuw- Amsterdam , op 
last van Mauricius naar diens plantage Ia Simplicité was ^ebragt en 
gebezigd tot het opmetselen van de vleugels der molensluis. 

Op het vernemen van dien laster verzoekt Mauricius een uitgelezen 



Digitized by 



Googk 



65 > 

Hij beweert in zijn berigt dat de moeijelijke en lastige 
betrekking van Gouverneur-Generaal van Suriname niet zoo 
voordeelig was , als Düplessis dit op eene kwaadwillige 
wijze voorstelde. Ten bewijze hiervan geeft hij een overzigt 
van de voordeelen aan die betrekking verbonden. Daaruit 
blijkt, dat het vast tractement van den Gouverneur-Generaal 
toenmaals (1750) f 9000 'sjaars bedroeg. Hiervan werd 
gedurende de acht eerste jaren, ééa vierde gedeelte , waar- 
schijnlijk voor pensioen, ') gekort, zoodat hij jaarlijks 
slechts /6750 ontving. 

Bovendien waren aan de betrekking van Gouverneur- 
Generaal de volgende voordeelen verbonden : 
1*. Be voordeelen der Secretarij, 

Voor onkosten der Secretarij werden aan den Gouverneur 
te goed gedaan ƒ 300 , terwijl hij nog gemiddeld ƒ 2400 
aan emolumenten trok. 
Daarentegen moest door hem worden bekostigd: 
1 eerste Secretaris *) a / 1200 en de tafel. 
1 . „ Klerk k „ 600 

1 tweede „ a „ 300. 



gezelschap op zijne plantage en vraagt daarbij ook den gemelden Direc- 
teur, wien hij na het middagmaal verzocht om aan het gezelschap de 
bedoelde vleugels te willen aanwijzen. Tot zijne groote schande moest 
de Directeur toen verklaren dat hij een lasteraar was, daar de vleugels 
niet met steenen , maar met planken waren opgetrokken. 

*) Na een langdurig verblijf in Suriname bekwam de Gouverneur- 
Generaal Cbomhelin in 1768 een pensioen van /'ISOO 'sjaars. (Zie 
Wesi'lndie, II, blz. 111.) 

«) Dit was sedert 1745 Jan Nepveu, terwijl E. C. Scherpingh 
Secretaris was van het Hof van Politie. De secretarijen der hoven waren 
toenmaals zeer slecht ingerigt, althans volgens de verzoekpunten van 
redres (art. XX— XXV). 

In art. XXIII o. a. leest men: „Dat niemand ter Secretarjje tot 
„Klerken mogen werden aangenoomen onder dé 25 jaaren en tot co- 
„püsten niet onder de 20 jaaren ; alzoo de jongens die thans geëmploi- 
f Jeerd worden , meer om het speelen denken , dan om hun pligt. — 
„Item, dat geen jooden geëmploijeerd mogen worden ter Secretarije, 
,/t zij om te copieeren , 't zij om boodschappen te doen. " 

5 



Digitized by 



Googk 



66 



2''. 5 percent v(m de West-Indiêche staatsêckuld. 

In vroegere jaren moet dit belangrijk veel hebben bedragen, 
doch, volgens Maubiciüs, had dit van 1742 tot 1750, dus 
ia 7 jaren, sleckt;s opgebragt pene som van/2054!, of/SéS 
per jaar. 

3*. De ha/ndel der Indiaanseke slaven, 

VooBal dit. moet in vroegere jaren veel voordeel aan de 
Gouverneurs iM^beii gegeven, doch, volgens Mausicius, 
werden er m «ij^en tijd zoo weinig Indiaansche slaven aangC' 
l)ragt, dat de kosten naauwlijks werden goed g^puaakt. 

4^ JSen vrvj kuis en tuin, 

Maurigius klaagt zeer over de onvruchtbaarheid van den 
Gouvernementstuin, volgeiw hem, uit „louUr schelpmnd" 
bestaande. 

5^ Vrije bediening door landsslaven. 

Over de bediening klaagt Maubiciüs zeer en zegt, dat 
hij nog slechter bediend werd in Suriname dan in Europa, 
„met 1 knecht en 2 meiden,'* niettegenstaande hij boven 
de slaven aan het Gouvernementshuis verbonden, nog 20 
eigen slaven daarvoor in dienst had, „ want," zegt hij „één 
„HoUandsche meid doet meer werk dan twaalf slaven." 

Te Hamburg daarentegen genoot Mauricius , naar zijne 
opgave, f 6000 vast tractement, eene personeele toelage 
van / 1200 , jaarlijks gemiddeld / 1200 van de O. I. 
Kompagnie voor zijne bemoeijingen ter bescherming van den 
handel, terwijl hij eindelijk nog //jaarlijks een geschenk 
//van heerlijke Rijnwijn van de Regeering van Hamburg , // 
ontving. 

Maubiciüs vermeent op grond van het eeik en ander, dat 
de betrekking van Minister te Hamburg , bij de goedkoope 
leefwijze aldaar, voordieeliger was dan de lastige en moeijcr 
lijke landvoogdij in Suriname, hoewel hij zich bij zijn 
vertrek derwaarts zeer veel daarvan had voorgesteld. 



Digitized by 



Googk 



67 

Ook werd aan Mau&ioius ten laste gelegd, dat hij zich 
buitengewoon veel aanmatigde, welke bewering gestaafd 
werd door eene opgaaf van de publicatien en notificatien 
door hem, als Gouveraeur, zonder de Raden van Politie 
uitgevaardigd. 

Mattkiciub verdedigde zich hierop voldoende, en door de 
Commissarissen werd dan ook , als antwoord op het tweede 
artikel der verzoekpunten van het redres, waarin deze 
zelfde klagt was vervat, vastgesteld ; // dat aan den Gouver- 
//neur de magt werd gelaaten om afzonderlijk Placaaten te 
//publiceeren , conform de Resolutien van Hun Hoog Mog., 
//van den 8~ Junij 1740 en 17"" Julij 1747.^ 

Als andere bewijzen van de zucht van Maukicius om 
zich meer aan te matigen dan hem toekwam, werd aan- 
gevoerd, dat hij eene ridderorde, de zoogenaamde Jfaw^*- 
fiddetorde ^ ingesteld, en zich den titel van excellentie 
aangematigd zou hebben. 

Uit zijne berigten blijkt, dat de instelling der Maurits- 
ridders zich tot het volgende bepaalde. 

Eenige rijke jongelieden hadden zich in 1743 vereenigd 
om den Gouverneur op zijnen geboortedag te verrassen 
door het uitvoeren van een carrousel op het plein voor het 
Gouvemementshuis , ten einde daarna den Gouverneur in 
optogt als eerewacht te begeleiden naar een te zijner eer 
aangerigt feest. Aan het hoofd van deze ruiters, die, ten 
getale van 24, onderscheiden waren door roode montering- 
rokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, bevond 
zich als Kapitein Heeman NicoTiAAs van de Schep- 
per, *) eenige zoon van den voormaligen Gouverneur, 



1) Hij was in 1736 als vaandrig met zijnen vader in Snriname ge- 
komen, en werd nog in dat jaar Adjudant van den Gonvernenr Raijb 
en later Vendumcester. Na zijn huwelijk met de rijke weduwe van 



Digitized by 



Googk 



68 

terwijl de oudste zoou van Mauricxüs, Pieter, als vaandrig 
fungeerde. 

Van de Schepper was , zoo als uit het üecueil blijkt, een 
buitengewoon edelmoedig en joviaal, doch tevens zeer ruw 
mensch, die in de meeste der voorvallende twisten was 
betrokken en voor wien xich de deuren van de gevangenis 
in het fort Zeelandia (toen reeds binnenfort genoemd) menig- 
werf ontsloten. 

Deze VAN de Schepper voorzag na elke oefening, de 
geheele onder zijne bevelen geplaatste eerewacht of zooge- 
naamde //bende Mauritsridders ^ // zoo ruimschoots van wijnen 
en andere ververschingen , dat nagenoeg elke exercitie met 
eene zweigerij in de toen te Paramaribo bloeijende herberg van 
Middelhof , *) eindigde. Hoe ruw het in die herberg toeging 
blijkt uit de menigte stokslagen en degensteken, die aldaar 
vielen en gewisseld werden, meestal ten gevolge van twist 
onder het geliefkoosd spel van //bluffen of pogchen. // 
Van de Schepper was daarbij steeds de persoon, die als 
verdediger van Mauricius eü diens goeden naam, geene 
gelegenheid ongebruikt liet, om een der cabalisten te bemoei- 
jelijken of op den // deegen te eijschen. // De volgende anec- 
<lote door Mauricius medegedeeld, kan daarvan een bewijs 
leveren. 

Eens dat van de Schepper , wegens vechterij in dronken- 
schap, voor eenige dagen in het binnenfort was gehuisvest, 
had hij den wachthebbeuden officier weten over te halen, 



Vheelen, geboren van der MEULENr, vroeg hij zijn ontslag, doch hij 
scheidde reeds in 1 744 van zijne vrouw. Zijne beide zusters waren ge- 
huwd met de gebroeders Pater, zoo als boven gezegd , de rijkste inge- 
zetenen der kolonie. (Zie West-Indie , II , blz. 30.) 

*) Er, waren toen te Paramaribo twee herbergen , die van Middelhof 
in de Gravenstraat voor de aanzienlijken en die van Valk voor de 
tweede klasse van ingezetenen. 



Digitized by 



Googk 



69 



om een van zijn huis ontboden souper in zijne gevangenis 
te komen gebruiken. Eene vreesselijke zwelgpartij werd ddar 
aangelegd en de wachthebbende Officier, door den wijn 
bevangen , ging , gearmd met zijnen gevangene , door de stad 
wandelen, waarop van de Schepper onder het uitgalmen 
van de vreesselijkste bedreigingen tegen de cabalisten , ieder 
dien hij ontmoette wilde doorsteken , omdat hij , naar zijne 
meening , niet genoeg met Mauricius was ingenomen. 

Toen de eerewacht, op het voorbeeld van hunnen aan- 
voerder, de partij van den Gouverneur trok, was de cabale 
natuurlijk zeer tegen die //bende ridders // ingenomen. 

Slechts zeer kort heeft deze vertooning geduurd, want 
den 6*" November 1745 ontbond Mauricius , om aan voort- 
durende aanmerkingen een eind te maken , deze instelling 
definitief. 

Over het aanmatigen van den titel van Excellentie , 
schreef Mauricius den 25®'' November 1748 : //In mijn ampt 
//en caracter zou het een belagchelijke humiliteit zijn, de 
//titels of praeeminentien , die ik er bij gevonden heb , te 
//willen altereren. Ik moet hetzelfde zeggen van den titel 
//van Uxcellenüe ^ die apparentelijk bij den Engelsche tijd 
//gebruikelijk geweest zijnde , hier alzoo gebleeven is. Zelfs 
//konden Uw Hoog Mogende zien uit de Joodsche privilegiën , 
//bij Carilho^ sub n^. 10 geproduceerd, dat bij den Zeeuwschen 
//tijd, de Gouverneur getiteld wierd met den titel van Soe- 
nverein. *) Ik heb ten minsten den titel van Excellentie bij 
//mijn aankomst zoo gevonden , en schoon ik wel weet , dat 
//ik la plus pitoyable Excellence de Funivers ben, sou 't 
//echter een zeer qualijk geplaceerde modestie van mij ge- 



») Zie het Recueilj II, blz. 135, § 7 en 8, id». Ille deel, blz. 28 
hxjl.iio. 10 en Es8ai historigueyll^ deel , bl. 131, waar den Gouverneur 
Lichtenberg de titel wordt gegeven van Soeverein der provt'ntie van 
Suriname. 



Digitized by 



Googk 



70 



/ifweest zijn, daarover fayons te maaken, behalven dat ik 
/>ook dien titel niet geheel ongewoon ben, dewijl men in 
/j^Dnitsland de Ministers ook al ligt een Excellentie naar 't 
//hoofd werpt. Alleen heeft het mij mishaagd, dat men in 
A Ajnsterdams boekje dien titel ook geintrodnceerd heeft, 
/'hetwelk een nieuwigheid is, en ik neem de vrijheid tot 
/'Uw Hoog Mog. speculatie hier sub n®. 36 te annexeeren 
/'een copie van den brief, dien ik aan den Boekverkooper 
/«Bos daarover geschreven heb.// 

Op blz. 146 van het II* deel van het Becueil vindt men 
dezen brief onder n®. 36. Hij luidt aldus ; 

tfAan den BoeJcverhooper Bos. 
// Mijnheer ! 

/yBij sommigen is bij gebrek van occupatie en discours , 
//reflexie gevallen op de verandering in uw Heerenboekje *) 
//gemaakt , in den titel van den Gouverneur van Suriname, 

//Ik verklaare en betuige daaraan geen deel te hebben , 
//zijnde de lijst indien se uw van alhier is toegesonden , 
//buiten mijne kennisse opgemaakt. Immers so ik se gesien 
//had, sou ik den naam van den keurmeester van 't beestiaal, 
/f die mijn eigen huisdienaar is, niet verkeerd hebben opge- 
/'geven, zijnde deszelfs naam niet Hendrik Philips, maar 
//Philip Eckhart. Ik betuige te gelijk, dat UEd. mij 
//plaisier zult doen van den titel van Excellentie weder te 
/rreduceren op dien van WelEdelGestrenge. Sijnde zeer wel 
/rte vreede met dien titel, dien ik, eer ik hier Gouverneur 
//was of dacht te worden, twee en twintig jaaren lang 



*) Werkelijk komt in het Heerenboekje Tan ïT47 YOOf het eerst de 
titel van Excellentie voor; in vroegere eli latere jaargangen is de Gou- 
vernenr als „WelEdelGestrenge Heer" betiteld. 



Digitized by 



Googk 



71 

'Vgedraagen heb , eerst als Fensioxiaris en naderhand als 
r/Ilesident en Ministet van den Staat. Echt^ moet ik tot 
/rverschocrning van den opsteller der lijst, wie 't ook zijn 
//mag hi^ bij yoegen y dat de titel van Excellentie alhier 
/^altoos, zelfe toen dei cok»tue nog ze^ geriïig was^ aan de 
//Gouverneurs doof de inwoonders is g^even geweest. De 
/Inreden i» ook seesr natuütlijk , dewijl de colonie van geen 
//Hollanders ia. aangelegd, maar van de Engelschcn over- 
/fgenoomen. Men heeft dus bg de ovemeeming dien titel 
//alsa gevondea en behouden. 

//Ik vCTbli9»ve> Bliet ijver en achting, 



„Paeamakibó, XI ÉD. [ootmoe(Uge f Dienaar, 

„10 Janmrij 1748. {^-9-) J. J. MaUEICIUS.// 



In 1744 was men in Suriname dagelijks de tijding wach- 
tende van het uitbreken van den oorlog met Frankrijk. In 
Junij van dat jaar had Mauricius met den meesten ijver 
aUes in persoon geregeld , om met alle beschikbare middelen 
eenen vijandelijken aanval af te weren^ Zoo leest men in 
zijn journaal, dat hij, — in overleg met den ouden blinden 
Heer TouRTON , *) die in 1712, bij den aanval vanÜAssARD, 
alle plannen van verdediging had gemaakt, — een alarm- 
reglement had vastgesteld , daar de Heer Chambrier onwillig 
en onbekwaam was om hem in iets te helpen. 

Den 28*" Julij ontving Maüriöïus eenen brief van den 



*) JofitASr TöUBTON, in ll0\ , Directeur der Sociëteit van Suriniuhe , 
waff naar de kolonie vertrokken , alwaar hy aanlegger was van de plan- 
tage T(mFt<mne. Zijn zoon Jban Andué Tourton werd in December 
1745 Raad van Politie. 



Digitized by 



Googk 



7^ 

beroemden Frauschen reiziger de la Condamine, ^) die 
sedert vijf maanden in Cayenne vruchteloos eene gelegenheid 
afwachtte, om naar Europa terug te keeren, en thans aan 
Maueicius de vergunning verzocht, om in Suriname te 
komen en van daar met een Hollandsch schip te vertrekken. 
De Gbuvemeur achtte het raadzaam, omtrent dit verzoek 
het advies van het Hof van Politie in te winnen, en tee- 
kende daarna in zijn journaal het volgende op: 

//Na rijpe deliberatie, geconsidereert hebbende, 1® dat er 
/^nog geen tijding is van oorlog tusschen Vrankrijk en den 
//Staat, ^^ dat zelfs in een gedeclareerden oorlog derge- 
//lijke politesses in gebruik zijn, 3* dat de weigering sou 
/srkonneu seer quaalijk opgenoomen en geinterpreteerd worden , 
//vooral zo de Chevalier een ongeluk kreeg, 4" dat dit een 
//seer extraordinair geval is , waarin de gansche savante en 
^commercieerende waereld belang neemd ; is eenpaarig ver- 
// staan, dat het niet behoord geweigerd te worden, mits de 
//noodige precautien neemende, dat hij hier zijnde, in hui» 
//blijve (waartoe ik mijn huis geoffereerd heb) en niet uit- 
>rgaa, dan verzeld.// 

Zoodra de la Condamine de tijding ontving, dat zijn 
verzoek werd ingewilligd, vertrok hij den 22'*" Augustus 
met eene sloep uit Cayenne en kwam in den avond van den 
28*° Augustus 1744 te Paramaribo aan. Hij maakte gebruik 
van het gastvrij aanbod van Maüeiciüs en nam zijn intrek 
in het Grouvemementshuis. Over het onthaal van den Gou- 



*) Charles Mabiedb laComdaminb, lid der Franscbe Akademie en 
Ridder der orde van St Lazarus, den 28«n Januarij 1701 te Parija 
geboren , werd door het Franscbe Gouvernement belast met eene weten- 
scbappelijke zending naar Zuid-Amerika. Hij vertrok met twee andere 
geleerden in Aprii 1735 uit Europa en kwam, na eene reis van 9 
jaren, den 26«n Fuhruarij 1744 in Cayenne aan. (Zie over hem IVest- 
Indie.n, blz. 240.) 



Digitized by 



Googk 



73 



vemeur en de vriendelijke en heusche wijze waarop hij door 
hem werd bejegend , was de la Condamine zeer tevreden : 
wij lezeno. a. op blz. 209 van zijne reisbeschrijving ^) //Ie 
//Gouvemenr enchérit par les eflfets sur ses oflTres obli- 
//geantes.// 

Reeds den 29^° Augustus maakte Mauricius een accoord 
met den Kapitein Thomas van Veen, om den Franschen 
reiziger met zijnen bediende voor de som van f 200 en 
ƒ100 voor de tafel , naar Europa over te voeren. 

Maurioius gaf, gedurende het kort verblijf van den 
Eidder de la Condamine te Paramaribo, een middagmaal 
aan de Eaden van Politie en eenige andere voorname inge- 
zetenen. Zoo behoorde ook tot de ^enoodigden de Raad- 
jBskaal , Mr. Jacobus van Halewijn van Werven , die , 
zoo als hierboven werd gezegd , in volgende jaren den Gou- 
verneur openlijk vijandig werd. 

Omtrent dat middagmaal, teekent Mauricius op blz. 132 
van het 2*^® Deel van het Recueil dit aan: //Het is om te 
//toonen dat de Heer van Werven, reeds in die tijd// 
(1744) //mijn bedekte vijand was. Ik erinnere mij tegen- 
i^woordig, dat hij bij deselfde gelegenheid, bij mij eetende 
//met Condamine, de raaden, welke meest geen Franach 
/f ver stonden^ zeer chantabel trachtte in 't denkbeeld te 
//brengen, dat het Condamine niet was^ maar een andre 
f/ spion ^ die er zich voor uitgaf jf 

Den 2*" September woonde de reiziger op nieuw een 
feestmaal bij, dat door den Raad van politie Trans Laü- 
rens Wriedt *) werd gegeven bij gelegenheid van het 



*) Relaiion abrégée (Tun voyage fait dans Vinterieur de Fjimmqtie Mé' 
ridwnale, etc. Paris, 1745, in 8°. 

•) Hij overleed den 16»" October 1744 in Suriname. Zijne weduwe 
hertrouwde, zoo als hierboven gezegd, eerst met Jan Pieterssb Vissek, 
later met den Baron van Wangenhbim. Zie nog West-Indit, Il , blz. 167. 



Digitized by 



Googk 



74 

leggen van den eersten steen der Luthersche keïk te Pa- 
ramaribo, dat op dien dag plaatd had. Du la Condamixe 
ging nc^ dienzelfden avond aan boord, zoo als MAüRrcius* 
in zijn journaal van dien dag meldt: //De Chevalier is 
//uitgeleid door mijn Adjudant (Lefèvre) *) en den Land- 
fffDeei^ DE LoNCOUttT. Sijn Edtele is hier maa? tweemaal 
ürmet mij en mijn Adjudant uitgeweest e» heeft nfeés ge"- 
men dan de straaten van Paramaribo, hebbende ook dag 
//en nacht zoveel te doen gehad met de starren, dat ïrff op 
//de aardsche saaken weinig reflexie zal hebben gemaakt. *) 
//Hij heeft hier geobserveerd, dat onse hoogte isr op vijf 
//graaden en negen en veertig minuten. •) Ik heb Sijn 
//Ed. op reis vexsien van eenige wijn en provisie.'/ 

Dk la CowDAMiNir kwam na eene langdurige en zoowel 
door stormen als door bezoek van kapers, gevaarlijke reis, 
den 3®° November 1744, behouden te Amsterdam aan. 

Zes jaren daarna moest Mauuicius zich over die aan 
eenen vreemden geleerde bewezene beleefdheid verdedigen, 



*) Jean Ernst Lefèvre was in. 1736 met den Kommandenr van 
DB Schepper in Suriname gekomen en den S^^v September ÏTSt tot 
Taondxig benoemd. Hij OTerleed den 25« Febmary 1749 ate ^djndant 
van Maubioiüb. 

s) Als eene tegenstelling van deze uitdrukking van Maurigiüs kunnen 
wij de volgende plaats uit zijn journaal aanhalen. „16 Januarij 1744. 
„Sedert eenige dagen beeft sicb hier een commeet vevtooné, doeh de 
„menschen hebben hier soveel met de aarde te doen, dat. sg gjaen tijd 
„hebben om op de Hemelsche verschijnselen te letten." 

^) Volgens waarnemingen in December 1853, op den middag aan 
den artificieelen horizon gedaan, is de Noorderbreedte van den vlagge* 
stok in het fort Zeelandia 5*^ 48' 55^ De waarneming van de la Cob- 
DAMiNE in 1744 mag dus zeer naauwkeurig genoemd worden. Eene 
overlevering te Paramaribo gewaagt van eenen steen door de la Con- 
DAMINE yóór het gebouw van het Geregtshof geplaatst, ter plaatse' van 
zijne waarneming, waarop tevens de windstreken naauwkeurig souden 
zijn aangegeven. Het is ons niet mogen gelukken eenig spoor van dien 
gedenksteen te ontdekken. 



Digitized by 



Googk 



75 



daar ook dit door Duplessis als eene beschuldiging tegen 
hem werd aangevoerd. 

Een' van de meest belangrijke aanklagten, zoowel door 
DüPLEssis als door anderen tegen Maurichts ingebragt, 
betrof het door hem geopperde en gedeeltelijk ten uitvoer 
gelegde plan, om, dooi het sluiten van eenen vrede na^ 
de Boschnegers of weggeloopen slaven , een einde te maken 
aan de sedert jaren met hen gevoerde oorlogen. 

Vóór dat wij verder gaan , achten wij het niet ondienstig 
met een enkel wooord te gewagen van den oorsprong en 
de strekking van die zoogenaamde BogchTteger-amUgien. 

Beeds in de eerste tijden der vestiging van Eutopeanen 
in de kolonie Suriname, zoowel tijdens hare overgave aan 
d€ Hollanders door de Engelschen in 1667, als kort 
daarna, hadden enkele negerslav^i de plantages- verlaten, 
en zich in de nabij gelegene, nagenoeg ondoordringbare en 
met moerassem vervulde wouden gevestigd. 

De eerste inwoners der kolonie hadden zeer veel te lijden 
van de vijandige aanvallen der Indianen van verschillende 
stammen, welke als oorspronkelijke bewoners van Quiam» 
eene vestiging op hun grondgebied, wel niet hadden kunnen 
beletten, doch niettemin met wrevel aanschouwdew. 

De meergenoemde Gouverneur Cornixi» tan Akbssbn 
VAN SoMMELSDiJCK sloot in 1684, niet alléén met de ver- 
schillende Indianen van de stammen der Arrowakken, Ca- 
raïben en Warauws, maar ook met de toen reedjs aan de 
Coppename gevestigde, en onder den naam van Conêie*- 
negers bekende wegloopers eenen vrede, waarbij allen als 
vrije menseken werden erkend , waartegen zij zich verbonden 
om met de Europeanen in vriendschap te leven. 

Volgens verschillende geschiedschrij,vers van Suriname zou 
de Gk)uverneur van Aehssen , ten einde de Indianen tot 



Digitized by 



Googk 



76 

den vrede te doen besluiten, genoodzaakt zijn geweest een e 
dochter van een' der Indiaansche opperhoofden tot vrouw 
te nemen, hetgeen echter slechts in zekere mate juist kan 
zijn, aangezien zijne echtgenoote in Nederland eerst vijf 
jaren na zijnen dood overleed. ^) 

In de volgende woorden, getrokken uit aanteekeningen 
van den, als Gk)uvemeur-Generaal in Suriname overledenen, 
meergenoemden Jan Nepveu , vindt men deze zaak in haar 
waar daglicht voorgesteld. //Den Heere Gouverneur van 
//ZoMMELSDiJOK was gcuoodzaakt *) geweest bij het maaken 
//van die vreede een dogter van een der voornaamste uijlen 
//of opperhoofden der Indiaanen op haare wijse tot sig te 
/ffieemeni dat mensch was wel honderd jaaren oud gewor- 
A'den, sijnde nog geen 25 jaaren dood. Zij quam nu en 
//dan eens aan Paramaribo, logeerende dan bij Mevrouw laast 
//weduwe van Ds. Duvoysin, die zij dogter noemde, omdat 
//haar Ed. met den Heer Gouverneur de Cheusses (die tot 
//het huijs van den Heere van Zommelsdijck behoorde) 
//getrouwt was geweest; daar heb ik haar gesien.// 

Over het algemeen werden de bepalingen van dezen vrede 
door beide partijen zeer goed nageleefd en van lieverlede 
hadden de vijandelijkheden voor de beste verstandhouding 
plaats gemaakt. Daartoe had het meest bijgedragen de op- 
volger van den Gouverneur van Aerssen , Jan van Scharp- 



4) Masoüeeitb Düpüt de St. Amdr]£ Montbrün, echtgenoote van 
CoBNBLis VAN Aebssen, volgde hem niet naar Suriname, maar bleef 
met hare 5 kinderen te 's Hage wonen. Hij werd vermoord in 1688; 
zij overleed in 1693. 

•) Hetgeen van Cobnelis va» Abbbsen van Sommblsdijck wordt 
verhaald in de Memoires inedits de Jean Rou, voormalig gouverneur 
zijner kinderen , doet vermoeden , dat hij wel zonder eenigen dwang , 
enkel uit eigen beweging, een jong Indiaansch meisje, zoo als de 
Heer Nepveu zegt, op ^^haare wijse" of als concubine zal hebben bij 
zich genomen. Van Abbbsen was althans de man niet om zich te laten 
dwingen tot iets dat niet geheel in zijne bedoeling lag. Zie t. a. p. I, blz. 189. 



Digitized by 



Googk 



77 



HüisEN , die sedert zijne jeugd in Suriname was gevestigd 
geweest en er zich bijzonder op had toegelegd om met de 
Indianen om te gaan. De talen der verschillende Indiaan- 
sche stammen sprak *) hij vloeijend. 

Bij den noodlottigen aanval, in 1712 door de Franschen 
onder den Admiraal Cassaed, tegen Suriname ondernomen, 
hadden vele eigenaars van plantages, vooral Israëlieten , den on- 
gelukkigen inval van hunne slaven in het bosch te doen trekken, 
om te voorkomen , dat de Franschei\ hen zouden wegvoeren. 

Toen echter, na het vertrek der Franschen, de negers 
door de eigenaars tot den arbeid teruggeroepen werden, 
hadden zij reeds het genot der vrijheid leeren kennen en 
weigerden zij aan dien last te voldoen. Zij vereenigden zich 
daarentegen met de vroegere wegloopers, terwijl hun aantal 
door nieuwe vlugtelingen voortdurend aangroeide. 

Voor eenigen was vrijheidsliefde, voor anderen luiheid, voor 
nog anderen vrees voor straf, voor velen echter ook ^onregt- 
vaardige behandeling met of zonder voorkennis der eigenaars , 
of ook wel door dezen zelve hun aangedaan, de drijfveer 
tot de vlugt in de bosschen. Bij voorkeur zochten zij aldaar 
die plaatseii uit, waar zij door een ondoordringbaar gewas 
van stekelplanten beschut en veelal geheel door moerassen 
omgeven waren. Toen hun meer en meer toenemend getal 
de kolonisten begon te verontrusten en zij zelfs rooftogten 
tegen afgezonderde plantages ondernamen, werden er militairen 
tegen hen uitgezonden en prijzen voor het opvangen uitgeloofd. 

De weggeloopen negers trokken daarop verder in de 
bosschen terug, waar zij, op soortgelijke plaatsen als hier- 
boven beschreven , dorpen aanlegden, die zij op allerlei wijzen 
tegen eene overvalling trachtten te dekken. 

Zoo sloegen zij , onder anderen , op de meest toegankelijke 

*) Deze bijzonderheid is mede aan de voormelde aanteekeningen van 
den Gouverneur Nepveü ontleend. 



Digitized by 



Googk 



78 

plaatsen in de moerassen, die hunne dorpen omringden, 
palen van hard hout in den grond, waarvan de scherpe 
punten even onder water bleven. Ook maakten zij kuilen, 
die zij, even als de in Europa bekende wolfskuilen^ zorg- 
vuldig overdekten. 

Uit deze schuilplaatsen verontrustten zij de kolonie voort- 
durend, overvielen de afgelegene plantages, vermoordden de 
eigenaars of Directeuren die zij haatten, verbrandden de 
gebouwen en voerden veelal de negers, die zich niet vrij- 
willig aan hen aansloten, met geweld mede, als wanneer 
deze als slaven aan het werk werden gesteld. Vooral roof- 
den zij vrouwen. 

Op vele plantages, waar de negers hunne meesters ge- 
trouw waren, verdedigden zij zich veelal zeer goed, en 
menigmaal werd geweld met geweld gekeerd. 

Onder het bestuur van den Gouverneur Cauel Emilius 
Hendrik de Gheusses, geschiedde dit ook, zoo als wij 
hiervoren hebben gezegd, op de groote, aan zijne vrouw, 
de weduwe Temming behoorende plantage Bergendaal aan 
de Boven-Suriname, waar toen suiker werd bereid. 

Den 28®" Junij 1730 hadden de aanvallers, veertig in 
getal, in het bosch verscholen het oogenblik a%ewacht, 
dat de meeste slaven bezig waren met het gekapte suikerriet 
naar den molen te brengen , wanneer zij hunne houwers of 
kapmessen nederlegden. Na zich op het onverwachtst van 
deze wapenen en van een geweer te hebben meester gemaakt, 
vielen de wegloopers de ontwapende plantage-slaven aan, 
die, hoezeer zij zich met messen en rietstokken manmoedig 
verdedigden, eindelijk voor de overmagt moesten zwichten. 

De aanvallers voerden vijf vrouwen mede, waarvan eene 
bij hare poging tot ontvlugting verdronk , terwijl eene an- 
dere zwaar gewond werd. Zoodra het gebeurde in den molen 
en in het woonhuis bekend werd, snelden alle aanwezige 



Digitized by 



Googk 



79 



blaiikeu en de daar werkzame negers te wapen, en ver- 
volgden de wegloopers met dat gunstig gevolg, dat deze 
jn allerijl op de vlugt gingen en de Boedegevoerde vronwen 
aditerliete». Slechts één van de wegloopers viel in handen 
van de verwoed^ ^lnven, die hem onmiddellijk met de kol' 
ven van hunne geweren afmaakten. *) 

Mïi de dappere verdedigers van Bergendaal werden tot 
belooning van hun manmoedig gedrag, eenige voorregten 
toegekend, die de negers vau die plantage nog heden ten 
dage genieten. 

Ten gevolge van deze aanhoudende aanvallen en plunde- 
ringen,— wf|,ardoor het leven en de eigendommen van velen 
zonder ophouden in gevaar werden gebragt, en zelfe de geheele 
kolonie met ondergang werd bedreigd, — zond men verschei- 
dene militaire kommando's en ook patrouilles, uit burgers 
te zamengesteld , op ben af. Deze togten waren gewoonlijk, 
wanneer men de hulp van eenen gevangene miste, die, om 
zijn leven te redden, ?ijne kameraden verraadde, geheel 
vruchteloos. De soldaten doorkruisten in dat geval de bos- 
schen en doorwaadden de moerassen onder onbeschrijfelijke 
ontberingen en moeijelijkheden , zonder eenen vijand te 
ontdekken of eene van hunne goedverholene schuilplaatsen 
te bereiken. Vele soldaten sneuvelden, minder door de wa- 
pens van hunne vijanden , dan ten gevolge van de ellende , 
die zij mQesten doorstaan, waariüt heete koortsen ontston- 
den, die hare offers spoedig ten grave sleepten. (Som- 
wijlen kwamen zij ook door honger en dorst om. Dikwijl» 
moesten zij uren lang en soms gedurende halve dagen 
door diepe moerassen waden, bij iederen voetstap tot aan 
de heupen in het moeras zakkende, en genoodzaakt de 
wapens en de ammunitie op het hoofd te dragen, ten einde 

*) Meerdere bijzonderheden omtrent deze aangelegenheid vindt men 
vermeld in Hartsxnck, II, bln. 757 en 758. 



Digitized by LjOOQ IC 



80 

ze voor nat te bewaren. Viel de nacht in, vóór dat zij eene 
drooge plaats hadden bereikt, dan waren zij verpligt de 
hangmatten boven het water of boven het moeras , aan hoo- 
rnen op te hangen, of wel den nacht door te brengen op 
een vlot, dat in allerijl uit nedergevelde boomstammen 
werd vervaardigd. *) 

Natuurlijk was er dan geen denken aan het ontsteken 
van vuur, om de kleederen te droogen of de spijzen te 
bereiden. Alle mondbehoeften, als ook de krij gs voorraad , 
werden door medegenomen negerslaven op het hoofd gedragen. 

Waren zij eindelijk door de moerassen heengekomen , dan 
moesten zij zich weder met veel moeite door doornstruiken 
en stekelpalmen eenen weg banen, waarbij zij niet alleen 
hunne kleederen verscheurden, maar zich ook niet zelden 
ernstige verwondingen toebragten. Hierbij kwam nog de 
vreesselijke plaag van de muskieten en van pijnlijk bijtende 
mieren. Somtijds gebeurde het, dat, terwijl zij tot onder 
de armen in het water en in het moeras waadden , door de 
steeds op hen loerende boschnegers, uit veilige schuil- 
plaatsen op hen werd geschoten, zonder dat zij zich veel 
konden verweren , omdat zij , in het water staande , hunne 
eenmaal afgeschoten geweren niet weder konden laden. Op 
deze wijze werd eens in Augustus 1750, eene geheele af- 
deeling soldaten overvallen en vermoord. 

Vermeende men in de nabijheid van eene vijandelijke 
nederzetting te zijn, dan mogt er geen vuur worden ge- 
maakt om niet door den opstijgenden rook , noch op het wild 
worden geschoten om niet door den slag te worden verraden. 

*) In het tijdschrift ^yJugendblatter" van Dr. C. G. Bart , komen onder 
den titel, y^ Brief e aus der Tropenwelt vom Planzenjager an seine Kinder ,'* 
eenige opstellen voor, waarin vele schoone bijdragen tot de kennis van Su- 
riname zijn opgezameld. Deze opstellen zijn in den vormvan 16 brieven, 
gedurende de jaren 1852 en 18Ö3 uit Suriname geschreven. In den lOdc" 
brief vindt men eene zeer goede beschrijving van de Boschneger-oorlogen. 



Digitized by 



Googk 



81 



Was eindelijk een dorp ontdekt, dan moesten zij eerst 
nog de gevaren van het omringende moeras , van de scherp- 
gepunte palen in het water en van de wolfskuilen op het 
land overwinnen , zoo zij al niet door den zich verbergenden 
vijand met een moordend vuur werden ontvangen. Geen 
wonder , dat de afgematte en dikwijls radelooze soldaten 
verbitterd waren tegen hen , die zij als de oorzaak van 
hunne ellende beschouwden, en dat er, indien zulk een 
dorp stormenderhand werd bemagtigd , wel eens noodelooze 
wreedheden werden gepleegd. De huizen van zulk een dorp 
werden dan in brand gestoken , de oogst vernield , de 
vruchtboomen omgekapt, — in één woord alles zooveel 
mogelijk onbruikbaar gemaakt. 

In 1730 had men eenige dorpen ontdekt en veroverd. Men 
meende tegen de bij die gelegenheid gemaakte gevangenen niet 
streng genoeg te kunnen handelen , om zoodoende anderen af 
te schrikken hun voorbeeld te volgen. Zij werden bij een 
regterlijk vonnis, dat te Paramaribo werd voltrokken, tot 
eene min of meer pijnlijke doodstraf veroordeeld. De ver- 
ontschuldiging voor zulke gestrengheid kan alléén worden 
gezocht in de algemeene geneigdheid die toen, (nagenoeg 
130 jaren geleden) ook in Europa voor pijnlijke doodstraffen 
bestond, en het wezenlijke groote gevaar, waarmede de 
kolonie door de Boschnegers, — die reeds tot duizenden 
waren aangegroeid , — werd bedreigd. En werkelijk hadden 
de Boschnegers eenheid , moed , wapens , en vooral goede 
aanvoerders gehad, dan zouden zij hunnen wensch, den 
ondergang der kolonie, waarschijnlijk vervuld hebben gezien. 

Die gestrengheid had evenwel , zoo als te denken viel , 
andere gevolgen dan men zich had voorgesteld. De Bosch- 
negers, in plaats van afgeschrikt te zijn, vochten nu met 
veel meer verbittering. Zij overvielen de plantages nog even 
als vroeger , vermoordden de blanken en voerden de negers 

6 



Digitized by 



Googk 



•82 

mede. Wel is waar- wedden aanhoudend nieuwe togten tegen 
lien ondernwnen , doch daardoor werd weinig goeds uitgerigt 
en slechts cene menigte menschenlevens en zeer veel geld 
opgeofferd. Hartbinck zegt op biz. 768 van zijne Be- 
schrijving van Gmana^ dat men toen ter tijd de kosten van 
eiken bosehtogt op minstens honderd duizend gulden schatte. 

Kort na zijne aankomst in de kolonie, had Mauricius 
zich genoodzaakt gezien eenige togten tegen de Boschneg^rs 
te doen ondernemen, die echter niet roet het gewenschte 
gevolg afliepen. Met zijnen helderen blik had hij weldra 
ingezien dat er op die wijze noodeloos jaarlijks groote som- 
men werden besteed aan de bosohtogten, aan de bezetting 
van vele buitenposten en aan andere middelen van beteuge- 
ling, die echter nog geenszins toereikend waren om de 
planters , inzonderheid op de afgelegene plantages , tegen 
de aanhoudende strooperijen en rooftogten der wegloapers 
te beveiligen. Daarom meende hij , dat het sluiten van eenen 
vrede met de Boschnegers , in navolging van hetgeen «enige 
jaren te voren (in 173'9) met het 'beste gevolg door de Engel- 
schen op Jamaica was beproefd , het eenige middel was om de 
kolonie op den duur tegen hunne aanvallen te beveiligen. 

In het lY*" deel van het Recneil (blz. 276 en volg:) vindt 
men de verantwoording van Mauriciüs , toen dit door hem 
geopperd denkbeeld later door zijne vijanden ook als eene 
beschuldiging tegen hém werd ingebragt. 

Uit die, in vele opzigten voor de geschiedenis van Su- 
riname belangrijke verantwoording *) , blijkt , dat v6ór Mau^ 
Ricius, buiten den door den Gouverneur van Aerssen in 
1684 gesloten vrede, reeds door de Gouverneurs Mahonij, 
C E. H. DE Cheusses en Eaije pogingen waren in het 



«) Inzoaiderheid is merkwaardig eene daarbij medegedeelde officiële 
memorie, omtrent alle aanvallen en strooperijen, bedreven door de 
wegloopers van de vroegste tijden af. Zie Recueil, IV, bJz. 252. 



Digitized by 



Googk 



83 

'verk gesteld pm vrede te duiten. Inzonderheid blijkt uit 
e&m attestatie, welke op verzoek van MAUBieius door den 
Kapitein Louis Geoegb de Boisgüiönqk werd afgegeven, 
AsA ^ in Maart 1731 onder den Luitenant Seijnbt *) 
-epne expeditie door den Gouverneur C. E. H. de Cheusses 
was uitgezonden met het doel om vrede te sluitw, doch 
dat .de Boschn^ei^ toen de gedane beloften niet vertrouwden. 

Deze wijze van beëindiging der vijanddijkheden smookte 
^ehter geeaszins met den toen algemeen tn Suriname heei^ 
«chenden geest, en Mauricïus schrijft het daaraan toe, 
dat kort d^iarop, nog in hetzelfde jaar 1731, een aanslag 
werd gedaan op het leven van den overigens algemerai be- 
minden Gouverneur Garel Emilius Hendeik de Chbusses.*) 

Na rijp beraad deed Maueicius in het Hof van Politie 
een voorstel tot het aanwenden van pogingen, om vrede 
te sluiten, welk voorstel door verscheidene leden met de 
•meeste heftigheid werd beatiieden. Het gelukte MAuaicros 
echter zijne denkbeelden bij de meerdeAeid ingang te doen 
'Vinden, en er werd besloten tot den maatregel over te gaan. 

In September 1749 werd de KapiteiurLuitenant Gaeel 
Otto Creutz tot gemeld einde, met eene genoegzame magt 
en de noodige, door Maueiciüs zelf gestelde instructien >), 
afgezonden. 

Het gelukte Cbeütz in December 1749, met den voor- 
naamsten aanvoerder der aan de Saramacca gevestigde ne- 
gers, AiK)E genaamd, een vredesverdrag te sluiten. Daarbij 
werd hoofdzakelijk vastgesteld, dat de aldus bevredigde 
Boschnegers als vrije lieden zouden worden erkend, dat 



») Jagob FBAN901S Rbtnet, was de zoon van Jagob Hbtnet en 
vfin Anna Ma,odalbna ^e Baijni^xal. Hy overleed 4en 8?» December 
1743 aj^ Kapitein te Paramaribo. 

«) ;Sie lUcmh IV, blz. 252. 

») Dese in»tr«ctien komen vcor in Hartsinok , Il , blz. 768 en volg. 



Digitized by 



Googk 



84 

hun jaarlijks geschenken zouden worden gegeven en dat 
hun werd toegestaan om van tijd tot tijd in bepaalden 
, getale, de stad te bezoeken. Daarentegen zouden zij, van 
hunnen kant, geene weggeloopen plantage- slaven bij zich 
opnemen, maar integendeel degenen, die zij konden op- 
vangen, getrouwelijk uitleveren. 

Omtrent deze negers van Saramacca , teekent Maueicius 
op blz. 664 van het tweede deel van zijnen Onledigen 
ouderdom dit aan: //De negers van Sarameca zijn nog 
, //afkomstig van weggeloopen' slaven ten tijde der Engel- 
//schen. Zij zijn meest in 't bosch gebooren, en in 1749 
//waaren er zeer weinige die ooit een blanken gezien had- 
//den. Zij woonen 17 dagreizen diep in 't land, daar de 
//lucht gezond is , en daar men genoegzaam vrij is van alle 
;//de plaagen, waarvan de benedenlanden aan de zee onder- . 
//wurpen zijn. Zij hebben daar groote kostvelden, overvloed 
//van vee en van alles wat zij noodig hebben. Zij begrijpen 
y/zélf dat het voor hun eigen belang en rust goed is om 
.//met ons in vrede te zijn. De ondervinding heeft nu de 
.//oprechtheid van hunne gevoelens getoond. Zij hadden 
//reden om te denken dat die vrede een strik was geweest, 
//om hen onverhoeds te verdelgen. Echter zijn zij bereid 
//geweest om ze weer op nieuws te herstellen.// 

Door de vele tegenkanting en den kwaden wil der vijan- 
den van Maueicius, die het voor eene schande rekenden 
op zoodanigen voet vrede te sluiten met zulk //gespuis,/^ — 
zoo als zij de Boschnegers noemden , — werd die eerste 
vrede kort daarop verbroken. *) 



*) Een onpartijdig tijdgenoot van Mauricius, teekent daarover dit 
aan: „Maar veele Raaden en planters stelden zich tegen het slniten 
„van vrede en verwekten hevige twisten ; waardoor de zaak bleef stee- 
„ken ; ja zelfs oordeelden eenigen de gemaakte vrede met de Sarame- 



Digitized by 



Googk 



85 

Dit viel in Augustus 1750 voor, toen de Heer Pico let, 
met eenige blanken en 20 negers als lastdragers, voor de 
eerste maal met het overbrengen der geschenken aan de 
bevredigde Boschnegers onder Adoe werd belast. 

Een andere aanvoerder der Boschnegers, Samsam ge- 
naamd , waarschijnlijk door kwaadwilligen opgestookt , over- 
viel de gezanten, plunderde hen en vermoordde daarna 
allen in ééneu nacht. 

Aboe en zijne ondergeschikten , meenende dat zij be-. 
drogen waren, toen de geschenken niet op den bepaalden 
tijd aankwamen, begonnen de vijandelijkheden op nieuw. 
Toen dit bekend werd , bleven de vijanden van Mauhicius 
niet achterlijk om hem alleen de schuld van die tegenspoeden 
te wijten en ofschoon later bleek , dat juist het sluiten van 
vrede het eenige middel was om een einde aan den oorlog 
te maken , werd Mauricius toen algemeen van hoofdigheid ,' 
ja zelfs van verraad beschuldigd. 

Zoo leest men in het XLIX" artikel der voormelde ver- 
zoekpunten van redres : 

//Dat de geprojecteerde vrede met onze weggeloopene 
//slaaven , zich ophoudende aan de Rivier Sarameca , als zeer 
//pemicieus en ruineus voor de colonie mag verklaard wor- 
//den nul en van geen waarde, neen maar, dat alle moge- 
//lijke middelen mogen werden aangewend om dat gespuis, 
//zoveel doenlijk, te vervolgen, vernielen of verjaagen, zo- 
//daanig dat men daarvoor niet meer te vreezen kan hebben, 



„caanen als zeer schadelijk en bcderflijk voor de colonie, niet nalaatende 
„dieswegen veel misnoegdheid te toonen. 

„Deeze tweespalt tnsschen de GouTeiiieur Macbicius en den Raad; 
„was oorzaak dat de gemelde gemaakte vrede met de Saramecaanen 
nwerd verbrooken ; wijl onder die negers een» gerucht verspreid werd, 
„dat de blanken hen door een gewaande vrede zochten te misleiden en 
„hen onverwacht op het lijf te vallen." Zie Habtsinck, II, blz. 777. 



Digitized by 



Googk 



H6 

/ren roöïta dat de Edele Sociëteit geconstringeerd mag 
^irerdefn» olie ten minsten drie vierde van de onkosten 
ifdaar toe te fonmeeren, en te draagen.// 

Het duurde toen nog tien jaren, alvorens in October 1761 , 
onder den Gouverneur^^jeneraal Wigboij> CsoHiCETiiir, de vrede 
werkelijk tot stand kwam , doch Maubicius mogt het nog 
beleven, dat hij daardoor openlijk geheel en al ger^vaardigd 
werd. O De voorwaarden toch waren nageno^ geïijk aan de 
reeds vermelde , terwijl ook de geschenken weder onderweg 
werden geroofd, zonder dat echter de vrede met Ados 
daardoor werd verbroken. 

In het eerste deel van zijnen Onledigen ouderdom ^ >) 
vergelijkt Matjbicius de Surinaamsche boschtogten bij de 
oorlogen tusschen de Bomeinen en de Giermanen, vooral wat 
betreft de daarmede gepaard gaande moeijelijkheden. Deze 
vergelijking komt belangrijk genoeg voor om hier te worden 
med^edeeld. 

//Mijn Surinaamsche gebeurtenis heeft gerucht genoeg in 
vde waereld gemaakt, om den leezer te erinneren, dat ik 
^van deese moeijelijkheden een levendig denkbeeld heb^ 
^dewijl ze eeven dezelfde zijn, als die ik zelf in de tochten, 
^die onder mijn beleid tegen de weggeloopenc slaaven in 
//America gedaan zijn , ondervonden heb. — Deze gelijkeni» 
Kornet weggeloopene slaaven schijnt wat haatelijk: doch het 
//is hetzelfde spel met de vrije Indianen in andere plaatsen 
//van America. Verder blank, rood of zwart, 't zijn men- 
i/schen, en de Koromantiensche negers behoeven voor geen* 
//blanken te wijken in moed, standvastige dapperheid en 
//vooral in verachting van den dood, dewijl zij een vast 



«) Zie het daarop doo« den Heer van Kbuihinoen vervaardigd klink- 
dicht op bh. 804 van het Besluit der DiehtKevende uitspannin^n, 
*) Zie Onledige wderdcm, eerste deel, ble. 884, J 9 en J 12. 



Digitized by 



Googk 



87 

r/overgeloof kebben , dat zij in hun vaderland weder zullen 
//opstaan, en van blanken gediend worden. Als men heji 
//met recbt eB maat kastijdt, verdraagen zij de straf met 
//gdaatenheijd : doch onrechtvaardig, wreeken zij zich, en 
//zoo aaj geen' wrasüc oeffenen kunnen , dooden zij zich zelf. 
//Als zij ook door 't gerecht ter dood gebragt worden, sterven 
//zij mannelijk, e» spotten dikwijls op 't rad. Doch hoe 't 
//zij, als men zich verweeien moet, 't zij tegen menschen, 
//of beesten komt geen point d'honneur te pas. Een recht 
//Politijk vervolgt zijn oogmerk ten beste van den Staats 
ffeo. rekent de glorie voor een enkel bijvoegsel, Quo minus, 
//gloriam petit, eo magis illam assequitur. (Zie de verge- 
//lijking van Cato met CiciiB.o bij Sali^üstiüs jj B. Cat. 
//p. 178 eu MoNTESQüJEEU , Grandeur et décadence des^ 
ffRomaim^ p. .434). De Cimbren van Spartacu» waaren ook 
//losgebrookene slaayen, en hun', ontvlucbting was (aoo 
//meu wil) onreehtyaajrdiger, omdat zij in een' wettigen 
//oorlog voor de vuist gevangen waaren. 

tfJk heb de moeijelijkheden van eenen hoschtogt in Suri- 
//name in mijn Gezang op zee kort afgeschilderd : en ik 
//acht noodig een uittreksel v^n 't zelve hieronder te plaat- 
//sen ; of 't eindelijk moogelijk was daarvan ee^ begrip te 
//geqven aan menschen, die zich van de bosschen in Ame- 
//rika een' verbeelding maaken, als van den Haarlemmer- 
//hout. 

//Zoo men meer daarvan weeteu wil, kan men ^o^jn' 
//apologie (4® A^A R^cueil ^h\z. 215, § 28 enz.) leezeu met 
//de bijlaagen, eij die 't da» pog niqt begrijpt» wil» mo^t er 
//zelf de proef van gaan neemen. 

//In mijn Gezang op zee ^ te vinden in 't besluit van 
//mijn' JDichtlievende uitspanningen^ op blz. 156, heb ik 
//dit aldus beschreven: 



Digitized by 



Googk 



88 



//Misleide teekenaars ! Gij kent het land hier niet , 
//Hetgeen gij op de kaart, als open velden ziet, 
//Zijn donk're wouden , digt met kreupelbosch bewassen , 
//Doorsnêen met zwampen en afgrijslijke moerassen. 
//Ziet , meet , hoe 't land in diepte en breedte is uitgestrekt , 
//Zelfs, als ge al blindling in geluk een dorp ontdekt, 
//Dan is 't nog ver van hen te dooden of te vangen. 
//Zij sling'ren zich door bosch en ruigten, als de slangen, 
//Daar gij niet volgen kunt. Het volk wordt krank en mort. 
//De mondkost, die zoover op 't hoofd gedraagen wordt 
//Door slaaven , en nog eerst den mond ^) uit, door de baaren, 
//Ts achterom gevoerd met ponten en koqaaren, 
is'Begint te minderen. Gij vreest den regentijd, 
//(Die als 't nat saisoen de wolken open splijt , 
//De bergkruin overswelt, en meeren maakt van kreeken) 
//En duizend zwarigheen, onmooglijk uit te spreecken. 
/rDan ijlt gij weer naar huis: gelukkig! zo een' laag, 
//Van neegers u op weg niet waarneemt uit een haag, 
//Daar moet gij blind met een' onzigt'bren vijand kampen, 
//Die u als eenden schiet, en kiffelt in de zwampen, 
//Al rukte een leger van tien duizend man bijeen, 
//De moed en 't krijgsbeleid van Gesar en Eugeen'; 
//Vondt hier zijn* arbeid om een' Hydra uit te roeijen , 
//Die zelfs Alcides knods ontduiken zou in 't groeijen , 
//Neen ! als de dapperheid zo dikwijls 't oogmerk mist , 
//Dan neemt het staatsvemuffe zijn' toevlugt tot de list. 
//Dus bleef de beste raad, met wijsheid hen te splitsen, 
//Om met' er tijd den een' op d' andren aan^te hitsen. 

//Men kan 't mij dus ook niet qualijk duiden, zo 't aan 



») Maubiciüs bedoelt hier het omvaren uit de Suriname-rlvier , 
langs de zeekust naar de Saramacca. Het kanaal van Saramacca was 
toen niet gegraven. 



Digitized by 



Googk 



89 



//mij meer oplettenheid geeft, dan aan een' ander', wanneer 
//ik in de oude Historie plaatsen vindt , die op 't geen ik 
//zelf ondervonden heb , toepasselijk zijn , waarvan men zelfs 
//zonder die ondervinding geen klaar begrip kan hebben. 
//Echter moet ik er bij waarschuwen dat de zwaarigheden ^ 
//die de Romeinen in Germanië vonden , nog grooter zijn 
//in Amerika. 

//L In Germanië waren nog hier en daar koreidanden, 
//en Caesae hadt paarden. In de Surinaamsche bosschen is 
^niets , dat voor een' blanken eetbaar is , en men kan er 
//geen paarden in gebruiken. Al de kost moet door slaaven 
//op 't hoofd nagedraagen worden en bederft ligt door de 
//hitte. Nog hangt alles geheel af van de trouwheid van 
//die slaaven, die van aUe plantaadjen saamengeraapt zijn, 
//en gemeenlijk zulke, die de eigenaars of Directeurs van 
//de plantaadje garen quijt zijn. Dus is ook gemeenlijk 't 
//einde van alle tochten, dat men bij gebrek aan kost moet 
//terugkeeren. 

//II. De Europeesche bosschen zijn zo bewassen , doornig 
//en akelig niet als in Amerika. In de laatste kan men dik- 
//wijlsgeen' twintig voeten van zich afzien, en om er door 
//te trekken, moet men slaaven voor zich hebben, die een 
//pad openkappen op 't kompas. 

//in. Aan deeze bosschen is ook geen einde, beslaande 
//de gansche lengte van '^ vaste land van Amerika. 

//Ik acht nodig dit te zeggen, omdat ih onhundigen heb 
f/ gevonden , die meenen , dat Suriname een eiland was. 
//Echter praaten zulken al mede, en schreeuwen zomtijds 
//het hoogste. De plantaadjen (die niet dan aan de rivier 
//kunnen zijn , om valling van water te hebben) liggen van 
//achteren open (hier kan men recht toepassen de beschrij- 
//ving van Ovidius , TTist\ III, blz. 55, die net een inval 
//der wegloopers afschildert) aan • dit wilde bosch , 't welk 



Digitized by 



Googk 



90 

/rvoor de neegers een bolwerk tegen ons is, doch uki Toor 
>9rons tegen hen. 

>yIV. De Romeinen kkagden , dat zij 't Duitsche klimaat 
//niet verdraagen konden, moogelijk zonder reden. Doch in 
x^'t zmdeïijk Amerika is *t zekö*,. dat een blanke, en 
/y vooral een nieuwkonner, in de groote hitte zwak en mag- 
//teloos is. Voeg hierbij de landplaagen en vooral die van de 
omoskiete^^ mompieren , chique» ^) enz. , vooral in de bossdien. 

ffJk heb gezegd zmddyk Amerika, want in NootA^ 
icf Amerika, waar de Engelsche colonien liggen, is H klimaat 
//ZOO draagelijk, dat de Wanken daar zelf hun' lande» be- 
//bouwen en bewerken kunnen. Moogelijk zijn de bosscheii 
^daar ook zo digt, en ontoegankelijk niet. 

//V. De zwarigheid van 't waarnemen der saisoenen is 
ü'in Suriname vrij wat sterker, dan die wij van Gennanië 
/'gezien hebben. Men kan in de bosschen niet indringen, 
i^dan in den droogen tgd, en, zo men {naar den letter) 
//niet verdrinken wil, moet men oppassen om voor den 
^regentijd terug te keeren; waarop de boschneger» hun' 
/^rekening maaken. In 't kort, men kan van dit alles niet 
A'oordeelen , zonder 't zelf te zien. n 

Zoo als .hier boven reeds is opgemerkt, was de zooge- 
naamde //negotie van Indiaansche of roode slaven,// een 
voordeel aan de betrekking van Gouverneur van Suriname 
verbonden. Daarvoor hadden de Gouverneurs zoogenaamde 
//zwervers,// in hunne dienst, die de bovenlanden, inzon- 
derheid aan de rivieren Coppename, Waijombo en Corantijn, 
doorreisden en van de met ons bevriende Indiaansche 
stammen de door hen gemaakte krijgsgevangenen opkochten , 
meestal in ruiling tegen blaauw katoen (salemporis) , kralen , 

» ) Moskieten of muggen , mompieren (JSinuÜum Latr :) eene andere soort 
van kleine maggen en chiquts of sika*s {Pulex penetrans L.) ; allen lastige 
insecten. 



Digitized by 



Googk 



91 

ijzerwaren , of sterken drank. Deze roode slaven werd^i dan 
in de stad gebragt, door eenen tolk onderzocht of zij ook 
behoorden tot eene met ons bevriende natie, en in het 
tegengesteld geval, namens den Qouvemeuï verkocht aan 
de ingezetenen, die hen meestal als huisbedienden of jager» 
gebruikten. 

MA.17KICITJS teekent, zoo als boven is gezegd, aan, dat 
gedurende zijn bestuur zoo weinig Indiaansche slaven werden 
aangebragt , dat hij naauwelijks de losten uit den verkoop 
kon dekken. Hij schrijft dit daaraan toe , dat de nog niet 
bevredigde natiën der Aceouri's , Tajiraê , Brouiakan^s en 
Piannocota7i8 , die allen zeer ver in de binnenlanden woon* 
den , zich hoe langer zoo zuidelijker terugtrokken en elke 
gemeenschap niet alleen met de Europeanen , maar ook met 
de bevredigde Indianen en w^gdoopen negers , zo^uldig 
vermeden. 

Maubicius werd ook wegens deze //negotie van roode 
//slaven, // door zijne tegenstanders van willekeur beschuldigd. 
Daartoe gaf onder anderen het vdgende voorval aanleiding. 

Er bevond zich toenmaals op de plantage Nieuw-Timotibo , 
gelegen aan de Perica, een neger Quassis genaamd, die, 
geboren aan de kust van Guinea, doch zeer jong in Suri- 
name aangebragt , zich daar bijzonder had toegelegd op de 
kennis van het land en zijne voortbrengselen, inzonderheid 
van de geneeskracht der in Guiana's bosschen voorkomende 
planten. Algemeen werd deze Quassib voor eenen toovenaar 
(loekoeman) gehouden, en bij ziekten, vergiftigingen en 
diefstallen werd Quassie meestal met goed gevolg, niet 
alleen door de negers, maar zelfs door de aanzienlijkste 
ingezetenen der kolonie geraadpleegd. *) 



*) Wij vinden aangeteekend dat de fiskaal als hoofd der politie menig- 
maal de hnlp van Quassib had ingeroepen om op het spoor te komen 
van misdadigers , vooral bij voorvallen van vergiftiging. 



Digitized by 



Googk 



9^ 



Meuigwerf had QuassI£ deu aauval voorspeld, door de 
Boschnegers op de eene of andere plantage gedaan en dien 
ook wel aan het hoofd der negers afgeslagen. 

Als gids bij boschtogten had hij ook dikwijls goede 
diensten bewezen, zóó zelfs dat hij in 1730 door den Baad 
van Politie Jan van Sandick begiftigd werd met eene 
gouden borstplaat, waarop de woorden, //Quassie trouw 
f/aan de blanken , // te lezen waren. 

In 1730 ontdekte Quassie op een van die togten de 
geneeskracht van het thans nog in gebruik zijnde en naar 
hem genoemde QuAsslE-êi^^ef (Quassia amara. Lin.) Van 
deze plant, die sedert algemeen in Suriname als genees- 
middel werd aangewend , bragt de in die kolonie gevestigde 
Heer C. G. Dahlbeeg, *) terwijl hij in 1761 eene reis 
deed naar zijn vaderland , Zweden , een monster aan den 
beroemden Linnaeüs, die er eene verhandeling over 
schreef en er den wetenscbappelijken naam Quassi amara 
aan gaf. 

In 174S werd Quassie door Maueicius in huur ge- 
nomen voor de Mineraal-kompagnie , die zich toen ter tijd, 
doch met weinig goed gevolg , met het zoeken naar mineralen 
bezig hield. 

In November 1743 kwam Quassie van eene onderzoe- 
kingsreis in de rivier de Coppename terug en bragt bij 
die gelegenheid twee roode slaven mede, die, na gehouden 
onderzoek , werden verklaard te behooren tot den niet-bevre- 
disrden stam der BrouhahatCs en die dus namens den Gou- 
verneur verkocht werden. Düplessis beweerde later, dat 
deze slaven zouden behoord hebben tot den bevredigden stam 
der Caraïheny en dat het gebeurde zoodanig misnoegen 



») Zie Stbdman's Reize, IV» deel, blz. 2 en 3. Recueil, i, blz. 255 
en West'Indiey II, blz. 184. 



Digitized by 



Googk 



93 

onder dat volk had doen ontstaan, dat men ook van die 
zijde vijandelijkheden kon verwachten. 

Matjeicius doet bij zijne verantwoording op de meest 
afdoende wijze uitkomen, hoe ongegrond deze aantijging 
van DüPLEssis was, en hoe lasterlijk daarbij nog was 
ingeweven de bedekte beschuldiging van door Quassie 
kruid en lood aan de Indianen te hebben doen verkoopen, 
iets dat toen ten strengste verboden was. 

Uit die verantwoording van Maumcius blijkt, dat hij 
Quassie in Julij 1744 kocht van den Heer van Zuiji.en 
VAN NiJEVET.T te Rotterdam, eigenaar van Nieuw Timo- 
tibo, en dat hij hem meermalen zeer vertrouwde zendingen 
opdroeg, waarvan in het eerst het opsporen van erts voor 
de Mineraal-kompagnie , later het opzoeken van Indiaansche 
slaven, als het doel werd opgegeven. Het schijnt echter, 
dat Mauricius, die toen reeds het denkbeeld van het 
sluiten van vrede met de Boschnegers was toegedaan, in 
het geheim ook aan Quassie had opgedragen, om de mo- 
gelijkheid daarvan te onderzoeken en de zaak zoo veel 
doenlijk voor te bereiden. 

Dat Mauricius veel vertrouwen in hem stelde blijkt 
onder anderen daaruit, dat hij hem had opgedragen om 
zijnen jongsten zoon Andkeas te onderwijzen in de Neger- 
Engelsche, Caraïbische en Arrowaksche talen, die Quassie 
volkomen magtig was. 

Quassie deed later, daartoe door den Gouverneur-Gene- 
raal Nepveu in staat gesteld, eene reis naar Europa. Hij 
vertrok derwaarts in Eebruarij 1776, voorzien van aanbe- 
velingsbrieven van den Gouverneur Nepveu en van den 
Kolonel Eouegeoud. *) Gedurende zijn verblijf in Holland 

«) Zie Stbdman, ^yReize in Surinatne,** II» Deel, blz. 212. Men 
leest daar: ,,Graman QrACY, was even uit Holland teruggekomen, 
„(25 Juni) 1776) en brngt de tijding mede, dat er voornamelijic om 



Digitized by 



Googk 



94 

werd hij met onderschddmg bdïimdeld en zelfs aan den 
Stadhouder voorgesteld. 

Stedm^n geeft in zijne ffReize naar Suriname v het 
portret van Quassie, gekleed in eenen fraaijen met goud 
geborduurden i^ok, dien hij, tijdens z^n verblijf in Hol- 
land, van den Stadhouder had ontvangen. Verder deelt hij 
nog mede, dat Quassie, die reeds in 1712, tijdens den 
inval van Cassabb, al» troiooielelageir zou hebben gediend, 
in boogen oudewtom te Paramaribo overleed, en dat hij 
>eenige jaren voor zijnen dood melaatsch was geworden. 

De laatste beschuldiging door Düplbssis tegen Maüri- 
cixus ingebragt,dïe van ongodsdiensligheid namelijk, schijnt 
den laatsten bijzonder ter harte te zijn gegaan. Den 28®"* 
Maart 174^9 schreef hij hieroy^ het volgende aan de 
Staten-Generaal : //De besehuldiging van ongodsdienstigheid 
//is, zegt VoïjTAIKE, op 't subjeet van DEscAaTBs, de 
jf laatste r^saouree der lasteraars, gelijk Dïjplessis met 
//deese vuil^artige beschijildi^ng dndigt en kroond.... 'T is 
//mij zeer sensibel, in mijn oude dagen te moeten worden 
//afgesehildert 9;ls een oüigodsdienstig menfich. Voor 't overige 
^zulten mijn vaarsen over de kruishistorie en andere werken 
•/strelcken tot een gedenkteefcen van mijn sentimenten omtrent 
//deEeligie,ensond^eenigegasconnade van bigotterie, durf 
//ik mij beroepen op 't getuigenis van alle mijne predi- 
f/kanUn^ ;&ohier ak te Hamburg, of zij in alle mijn woor- 
//den en daaden ooit aaders bespeurd hebben, dan een 
/^standvastige zucht en Uefde voor den godsdienst.// 

Ma^jricïus haalt hier het getuigenis van zijne pcedi- 



„zijneDtwilIe, een nieuwe wet gemaakt was, volgens welke alle slaven 
„S6« maanden na hunne lapding ia Tesel vry zouden x^n; deeze tijd 
„kon, op verzoek van hunne heerea, Aot op 12 maanden, maar op 
„geenerlei wijze langer uitgesteld worden." 



Digitized by 



Googk 



95 



kanttoi «au, waarseli^&lijk omdat Duplessis ingewikkeld 
had gedoeld op de onaangenaambeden , gedurende het be- 
stiiuT van Maüeiciüb, in Sulinaine voorgeyallen met den 
Waabchen Predikant Düvoisin, waaronatrent wij naar het 
hierboven medegedeelde verwijzen , ca met den Lutherschen 
leeraar Johannes Pfaff. ') Beze laatste was in October 
174d in de kolonie aangekomen om als eeatste predikant 
d^r Luthersche gemeente te Faxamaribo op te treden, doch 
reeds in 1748 brak er hevige verdeeldheid nit tussch^ den 
predikant en de leden van den Kerkeraad, die zoo hoog 
liep, dat de vele, door Maxjbicius aangewende pogingen 
tot vö*zoening vrncMeloos bleven en de predikdienst ge- 
staakt werd. 

Het huwelijk van Pfaff met de rijke weduwe Thoukon ') 
werd iu Augustus 1744 door den Kerkeraad gestuit, op 
grond van verzuim ia de dienstvervulling en eerst later in 
Pebruarij 1745, jaa vele moeijelijklieden , voltrokken. S!echts 
wanneer hij met zijne {rijke vrouw in onmin was, toonde 
hij zich genegen om de predikdienst waar te nemen, het- 
geen het oonsie^orie te Amsterdam aanleiding gaf hem den 
9**" November 1745 van zijn ambt te ontslaan. Zoo veel moge- 
lijk maakte Tiij het den Kexkeraad nog lastig, daar hij halsstarrig 
bleef weigeuen de archieven der k^rk over te geven , waaruit 
vde moeijelijkheden voortvloeiden. Toen Pfafp, na den 
dood van zijne rijke vrouw, in 1749 hertrouwde met de 
weduwe •) van den fiskaal Halewijn van Weeven, den 



*) Zie omtreDt deze verdeeldheid en de vreemde handelwijze van 
Ppaff, biz. 164 en volgende van het 2e Deel van West-Indie, 

•) Haar eerste man Pierbe Thoüron was onder anderen e^eqaar 
van de plantage Dombnrg aan de rivier Suriname. 

') M. E. DE LA RiviÈRB, wedowe van den fiskaal van Halewijn van Wer- 
ven, ondertrouwde den 11*» Fobruarij 1749 te Paramaribo met Ds. Ppaff. 
Zij vertrokken weldra naar Europa en vestigden zich te 's Hage, alwaar 



Digitized by 



Googk 



96 

aartsvijand van Maüriciüs, behoorde ook hij onder des 
Gouverneurs hevige tegenstanders. 

Uit het XXXP artikel der Verzoékpunten van red/res 
blijkt genoegzaam, dat althans hier de schuld niet aan 
Maueicius kan worden geweten. De cabalisten verzoeken 
toch daarbij aan de Commissarissen om te zorgen: //dat 
f/aan den kerkenraad mag werden gerecommandeerd te zor- 
«'gen, dat de Predikanten zich godvruchtig gedragen en 
f/bijzonderlijk zich wachten van op den predikstoel of daar 
//buiten zich in te laaten in dispuuten, die tot ongeluk van 
f/de cplonie sedert lange hebben gedraafd. 
, //Gteen proponenten den stoei te doen beklimmen, voor 
//dat men uit hunne attestatien zal onderricht zijn van hun 
7/goed gedrag, wandel en handel.// 

In eene missive omtrent deze zaak, den 30"" November 
1751 door Maüriciüs geschreven, vindt men de volgende 
weinig bekende bijzonderheid opgeteekend. 

Er schijnen nameliik toenmaals *) reeds verscheiden neger- 
slaven in Suriname tot het Christendom overgegaan en 
gedoopt te zijn, waaronder met name wordt genoemd de 
Gouvemements-slaaf en kok Benjamin, terwijl, ten ge- 
bruike van de negers bij het godsdienstig onderwijs, ff de 
tf vraagjes van BoRSTius/y door den jongsten zoon van den 
Gouverneur, Andreas genaamd, in het Neger-Engelsch 
waren vertaald en gedrukt. 



zij ook menige beschnldiging tegen Madricids inbragtcn. Zij was eige- 
naresse yan eenige plantages, o. a. van Sorgvliet aan de Beneden- 
Commewijne. Ppafp kwam in Februarij 1757 in Suriname terug. 

<) Reeds in 1735 hadden zich zendelingen der Moravische Broeder- 
gemeente onder de Indianen gevestigd. In 1740 kwamen de eerste 
Moravische Broeders te Paramaribo wonen en den 21«n Jalij 1770 
werd de eerste negerslaaf door ben gedoopt en tot ledemaat dier ge- 
meente aangenomen. Zie onze Beschrijving vau Suriname, blz. 43. 



Digitized by 



Googk 



97 

Wij hebben getracht een overzigt te geven van de voor- 
naamste klagten, door Duplessis tegen Ma\jeicius bij de 
Staten-Generaal ingediend. 

De Algemeene Staten hadden deze zaak in de eerste plaats 
gesteld in handen van de Directeuren der Sociëteit van 
Suriname , ten einde daarop te berigten. In hen vond 
Mauricius eenen krachtigen steun, daar zij de beschul- 
digingen met verontwaardiging vernamen en zoo veel mo* 
gelijk wederlegden, onder voorbehoud van nadere verdedi- 
ging, zoodra zij Maüricius zouden hebben gehoord. Op 
die wijze werden alle requesten van Duplessis in handen 
van Mauricius gesteld, die daarop met eene onbegrijpe- 
lijke werkzaamheid en geestkracht opvolgend berigtte. 

Uit een onpartijdig onderzoek van deze lijvige berigten 
blijkt ten duidelijkste , dat verreweg de meeste der beschuldi- 
gingen of geheel bezijden de waarheid waren, bf dat de onschul- 
digste handelingen van Mauricius op eene boosaardige wijze 
verdraaid waren , ten einde als aantijgingen te kunnen dienen. 

Hij schrijft dan ook te regt , in eene missive aan de 
Staten-Generaal van den 28*" September 1748: //Onder de 
//klachten van Duplessis zijn lasteringen van zoo laagen 
//en indigne soort, dat het aan een fatsoenlijk man zeer 
//bitter moet vallen, zig op zulke schandelijkheden (quae 
//nee fieri posse credendum est) te moeten defendeeren. // 

Deze berigten komen allen in het Recueil voor en leveren 
het onmiskenbare bewijs van de buitengewone bekwaamheden 
van Mauricius, die zich onder al dat geschrijf en geklaag, 
ziek en afgemat, in eene zeer treurige gemoedsstemming 
bevond, zoo als dan ook duidelijk uit zijne journalen van 
dien tijd en uit zijn briefwisseling kan worden opgemerkt. 

Zoo lezen wij in eene missive, die Mauricius den 23'** 
October 1750 , aan de Directeuren der Sociëteit schreef: 
//Het is nu reeds vijf jaren lang dat ik met langsame 

7 



Digitized by 



Googk 



98 

//peinigingen wordt gemarteld en afgebeuld. En waarlijk, 
//ZOO ik ergens in gepecceerd heb , Ed.G.A.H., naminnuUo 
//penitiis peccare humanitatis non est^ sou de dood sachter 
-^straffe zijn, dan een leven, zoo als ik vijf jaaren gesleept 
//heb in een land, daar de hitte, insecten en landplaagen 
//'t leven suur genoeg maaken, al gaat alles voor den wind.// 

Dat de tegenstanders van Maükicius, of de cabale, in 
afwachting dat de klagten namens hen , door Duplessis in 
Nederland ingebragt , tot zijne terugroeping zouden leiden , 
alles hebben aangewend ^ om hem in de kolonie te tergen en 
het leven te vergallen , blijkt ten duidelijkste uit het Recueil 
€n uit zijn dagboek. Tot staving van deze bewering zullen 
wij hier slechts eenige voorbeelden vermelden. 

In zijn journaal vinden wij het volgende opgeteekend : 

//Heden avond langs de waterkant rijdende , is de vrouw 
//van ScHEEPiNGH, de gouvernante van de waterkant, op 
//hare stoep gekomen en heeft ons, onder het maaken van 
/^allerlei gebaren en figuuren , naageschreeuwd , t/daar rijdt 
////Trijn van Hambv/rg^n daarmeede doelende op mijne 
//vrouw die naast mij gezeeten was. Ik had gedacht dat zij 
//die althans met rust zouden laaten. Dat goede mensch is 
//te zacht om ooit iemand iets in den weg te leggen. » 

Eene andere , niet minder kenschetsende gebeurtenis wordt 
door hem opgeteekend in het Hl® deel van het Recueil en 
komt hierop neder. 

De vrouw van den hiervoren genoemden Ontvanger Nico- 
LAAs Treher, eene jufvrouw l'Espinasse en zuster van de 
vrouwen van Taunay enPiCHOT, stond op zekeren morgen 
bij de voordeur van haar huis, toen de kamerbewaarder van 
Mauricius daar binnen kwam. In vriendelijke bewoor- 
dingen deelde deze, toen hij had vernomen dat de Heer 
Freher niet t' huis was, haar mede, dat hij van den 
Gouverneur in last had hem uit te noodigen , om zich met 



Digitized by 



Googk 



99 



eenige stukken, het ontvangerskantoor lakende, aan het 
Gonvemementshuis te vervoegen. Mevrouw Feehee ant- 
woordde daarop: *) //Wat, kom je van den Gouverneur, 
//van die aap; zeg aan die aap, dat mijn man zeker niet 
//bij hem zal komen,// en meer dergelijke uitdrukkingen. De 
kamerbewaarder vertrok , na protest te hebben aangeteekend , 
en bragt officieel zijn rapport over het gebeurde uit. Mauki- 
cius kon toen niet wel nalaten aan de zaak gevolg te geven , 
hetgeen hem nog menig onaangenaam oogenblik berokkende, 
daar hij later werd beschuldigd van onmenschelijkheid , om- 
dat Mevrouw Preher, die in gezegende omstandigheden 
verkeerde, met gevangenisstraf was bedreigd geworden. 

Ten slotte zullen wij nog eene soortgelijke gebeurtenis 
aanvoeren als bewijs voor de hoogst onaangename wijze 
waarop Mauricius door zijne tegenstanders werd bejegend 
en van de mate van overmoed, waartoe de cabale was ge- 
komen. 

De weduwe van den Kommandeur Marcellüs Brouwer , 
die den 13®° December 174ii, — en dus kort na de aan- 
komst van Maüricius, — te Paramaribo was overleden, 
had zich meermalen tot Maüricius gewend met verzoeken , 
die hij steeds op de meest welwillende wijze toestond. 
Eenige van hare betrekkingen , die tot de ontevredenen 
behoorden, wisten haar echter te bewegen, om niettegen- 
staande Maüricius haar belangrijke diensten had bewezen, 
tot de //cabale// over te gaan. Tot viering van deze heug- 
chelijke a^-nwinst, werd er den 3*° October 1750 , eenen 
Zaturdag , een bal gegeven in het huis staande, op den 
hoek van het Gouvemementsplein en van de Graven- 



«) Dit blijkt uit de verklaringen van den kamerbewaarder , die tevens 
als deurwaarder by het Hof van Politie ftingeerde, Albbrt Pibkbz 
HoppEZAK , te vinden in het Reweil. 



Digitized by 



Googk 



100 

straat, ') dus in de onmiddelijke nabijheid van het Gou- 
vernementshuis. — Er werd in den aanvang zeer bedaard 
op de muzijk van eene viool gedanst, doch na middernacht 
begon de wijn te werken en men bepaalde zich niet meer 
tot dansen binnen 's huis. Op de maat van bazuinen en 
trompetten , vervolgden de feestvierenden het bal op het 
plein. Mauricius die in het Gouvemementshuis ziek te bed 
lag , liet 's nachts ten twee ure verzoeken , om een einde 
aan de feestviering te maken. — Het antwoord was een 
duidelijk voor hem verstaanbaar koor van verwenschingen , 
die de aanwezigen , onder allerlei bedreigingen en scheld- 
woorden, uitbraakten. 

Den é*"* October 1750, teekende hij dienaangaande in 
zijn journaal op: 

I //Niet zonder reden heeft mij het gebeurde van heden 
onacht zeer quaad gemaakt. Eene schoone voorbereiding 
//voor des Heeren avondmaal. Ik heb geoordeeld daarom 
//niet van de H. tafel te moeten blijven, gelijk Daniel 
//niet naliet God te dienen , schoon hij in een leeuwenkuil 
/^zat. Nog is de gelijkenis te honorabel.// 

De vele beschuldigingen , door Düpi.essis op eene be- 
hendige wijze in Nederland tegen Maurtcius ingebragt, 
waren slechts gedeeltelijk door de Directeuren wederlegd 
kunnen worden en hadden in den aanvang blijkbaar eenen 
zeer ongunstigen indruk te weeg gebragt. 

Toen later de meesterlijk gestelde berigten van Mauricius 
opvolgend in Nederland aankwamen , werd deze slechte 
indruk wel dadelijk gewijzigd , doch inmiddels hadden zich 
ook andere , en daaronder invloedrijke personen regtstreeks 



*) Thans het gebouw der Gouvernements-Secretarij. Het behoorde 
toen aan hare tante de weduwe Wossink. (Zie Recueil TV , hlz. 10*.) 



Digitized by 



Googk 



101 



tot de Staten-Generaal gewend. Onder deze personen zal 
het genoeg zijn de weduwen Visser en Beouwees te 
noemen, die zich beklaagden, dat hare echtgenooten , die, 
zoo als hierboven werd vermeld , door Maueicius de kolonie 
waren uitgezet, ten gevolge daarvan en dus door zijn toe- 
doen zouden zijn omgekomen ; Isaac Caeilho , die even- 
eens uit de kolonie was gezet en zich, bij aankomst in Ne- 
derland , in persoon daarover beklaagde ; de weduwen van 
den Kommandeur i.'Aechee van Keenenbueg, *) van den 
Kskaal van Weeven en van den Raad van Politie Taunay , 
die allen voorgaven , dat hare echtgenooten overleden 
waren ten gevolge der hun door Maueicius aangedane 
verongelijking; de oud-Kommandeur Chambeiee, wiens 
verdiensten door den Gouverneur niet genoeg zouden zijn 
gewaardeerd ; en eindelijk de Raad van Politie Celliee , 
die zich over de schorsing van zijn huwelijk beklaagde. *) 

De vele ingekomen klagten en de daarop ingediende 
berigten en contra-berigten hadden aan deze zaak zooda- 
nigen omvang gegeven, dat de Directeuren der Sociëteit 
in hunne missive van den 14^" April 1749 aan de Staten- 
Generaal voorstelden, om, ter beëindiging der geschillen, 
het onderzoek daarvan aan den Hoogen Raad in Holland 
op te dragen. 

In hunne vergadering van den S*"' Februarij 1750, *) 



*) Anna Maodalena deRivecourt , weduwe van den Heer l'Archer 
VAN Keenenbürg, huwde ten tweedcnmale met Tobias Feldner, 
eigenaar van de plantages Louisenburg aan de Cottica en Killenstein 
Nova aan de Commewijne, een' der voornaamste aanbitsers van de 
onlusten tegen Maüriciüs. 

*) Deze verschiUende klagten van afzonderlyke personen , zijn allen , 
met de verdediging van Mauricids, in het III* deel van het Recueii, 
opgenomen. 

5) De betrekkelijke Resolutie der HH. M. is te vinden op blz. 276 van 
het P deel van het RecueiL 



Digitized by 



Googk 



102 

werd dan ook door de Stateu-Generaal het onderzoek der zaak 
aan gemeld Collegie opgedragen //met verzoek die naauw- 
^keurig te examineeren, en vervolgens namate de zaken in 
^staat van wijzen zullen zijn, derzelver advies daarop, zoo 
^ras doenlijk, aan HH. M. te laten toekomen, om het 
^voorsz. advies gezien, dien conform zonder verandering 
/ygedisponeert te werden, «y 

Inmiddels liet de cabale, • — die eene dadelijke terug- 
roeping van Maubicivs had gewenscht en met dit besluit 
der HH. M. geenszins was ingenomen , — het hierbij niet 
berusten, maar er werden bij elke gelegenheid berigten uit 
Suriname in Nederland verspreid, waarin de toestand der 
kolonie met de zwartste kleuren werd afgeschilderd. 

Dit had ten gevolge, dat men zich in Nederland zeer 
begon te verontrusten, en dat 'de Staten-Generaal den 
22,'^ Md 1750 Prins Willem IV magtigden, om tot 
herstel van de orde en van de rust in de kolonie zoo- 
danige maatregelen te nemen als Z. D. H. noodig mogten 
voorkomen. 

De Prins benoemde daarop drie Commissarissen, waar- 
onder den Generaal-majoor Hendrik Ebnst Baron von 
Spöbcke *) tot /y eersten Commissaris^, ten einde met 600 
man uitgelezene troepen, waarover deze tevens tot opper- 
bevelhebber werd aangesteld , naar Suriname te vertrekken. 
Hem werden tot mede-commissarissen toegevoegd de Heeren 
Mr. Kabel Bosschaert, Pensionaris der stad Schiedam 
en Mr. Hiebonimus de Swabt Steenis , Baad van de stad 
Gorinchem. 



«) Hendrik Ernst Baron von Spörcke, Heer ran Neteendorp, 
Ziscfaendorp enz., was de zoon van Georoe Frederik Baron ton 
Spörcke, Groot Drossaert van Haarsborch en ran Anna ELiSASETfi 
Baronesse ton ScHULENBüae^ Hij was Generaal-majoor en Kolonei 
Tan een Regiment infanterie. 



Digitized by 



Googk 



103 

Deze Couunissarisseu wareu gemagtigd , om geheel u^ar 
bevind van zaken te handelen, en zoo noodig, Maüei- 
ciüs ter verantwoording naar Nederland op te zenden. In 
dat geval moest de Generaal von Spöbgk£ voorloopig het 
bestuur aanvaarden. 

Tot bevelhebber der Staatsche troepen, onder den Generaal 
voN Spörcke , werd benoemd de Kolonel Otto Chbistiaan 
Baron van Verschuee, ^) en tot Adjudanten van den 
Generaal de Luitenant-kolonel de Cbousaz en d« Kapitein 
A. H. L. Baron van Wangenheim. *) 

Mr. A. W. Senn van Basel werd den Commissarissen 
als eerste Secretaris toegevoegd. 

Bij de resolutie van de Algemeene Staten van den 88** 
Julij 1750 •) werden de kosten van het zenden en het 
onderhouden der troepen geschat op 150,000 gulden, en 
tevens bepaald dat daarvan één vierde door de Sociëteit en 
drie vierden door de ingezetenen der kolonie zou worden 
gedragen. De tractementen en soldijen van de Officieren 
en manschappen der tijdelijk te zenden troepen zouden 
door den Staat worden betaald. 



*) Otto Christiaan Baron van Vekschübr, Vrijheer des Heiligen 
Roamschen Rijks , erfheer tot Soltz enz. , was de zoon van den Brigadier 
Philip Willem van Verschueb en van Jüstina Christina vaK 
Merretig. Hy werd den 11«»» April 1720 te Breda geboren en reedó 
in 1750 Kolonel-Kommandant van een regiment Infanterie en Lnitenant- 
Generaal-Kwartiermeester van de legers van den Staat. Hij overleed in 
Suriname den I7«n Mei 1753. 

9) Adam Hendrik Lodewijk Baron van Wangenheim , Kamerheer 
van den Koning van Pruissen , vestigde zich later in Suriname en werd 
in December 1756 tot Raad van Politie verkozen. Hij huwde in die 
kolonie met de rijke weduwe van den vorengenoemden Jan Pieterssè 
Visser , geboren Craffort en werd daardoor eigenaar van de plantages 
Jagersburg, Rorac, Klaverblad, Sardam en Heimslust aan de Motkreek. 

») Zie hieromtrent het V« deel van het JRecueil, blz. 1—3 en West- 
Indt'e n , blz. 33 en volg : 



Digitized by 



Googk 



104 

Zoodra Maukicius de benoeming van de Commissarissen 
vernam, trof hij in Julij 1750 de eerste schikkingen voor 
het logement der te verwachten troepen. Bij de Publicatie 
van den 30**" October van datzelfde jaar werd algemeen 
bekend gemaakt, op welke wijze de kosten van den 
maatregel bestreden zouden worden. Daarbij werden , 
onder anderen, eene nieuwe belasting, onder den naam 
van hoofdgeld^ van één gulden jaarlijks voor ieder hoofd 
en een verhoogd lastgeld voor de in Suriname komende 
schepen vastgesteld. 

De eerste Staatsche troepen *) kwamen den 28** Novem- 
ber 1750, in de kolonie. De Generaal von Spörcke kwam 
den 2~ December daaraanvolgende met zijnen staf, aan 
boord van het schip George Hendrik^ Kapitein Simon 
Xlint, in Suriname aan. De Generaal hield den 4*^ De- 
cember zijne plegtige intrede in Paramaribo. 

De beide mede-Commissarissen Bosschaert en Steenis, 
kwamen den volgenden dag (5 December) in Suriname aan 
met het schip Constantia^ Kapitein Pieter Landsknegt, 
en hielden hunne intrede den 9*"" van die maand. 

De aankomst van de Heeren Commissarissen *) werd met 



<) Aan deze tijdelijk gezonden en in de soldg der Staten staande 
troepen werd de naam gegeven van Siaaische troepen , in tegenover- 
stelling van de militie' of Societeits- troepen, waaronder de vaste bezet- 
ting der kolonie werd verstaan. 

s) De troepen kwamen in de kolonie aan met de volgende schepen: 

Met de Eendragt, Kapitein de Graaf, op 28 November 1750, de 
Luitenant-Kolonel db Bermont, met 9 officieren, 72 onder-officieren 
en manschappen en 1 chirurgijn. 

Met de Haduina Anthoniay Kapitein db Vkibs, op 30 November 
1750, de Kolonel van Verschubr, met 15 officieren, 144 onder-offi- 
cieren en manschappen en 1 chirurgijn. 

En met de Jager, Kapitein db Brebm, de Majoor Brcce, met 13 
officieren en 134 onder-officieren en manschappen. 

Te zamen kwamen er dus 392 hoofden, waaronder 42 officieren. 
Zie WMi-lndie , II , biz. 90 en volg : 



Digitized by 



Googk 



105 

buitengewoon veel plegtigheid en groote feesten gevierd. 
Er werden op kosten ^) van de Sociëteit vier groote maal- 
tijden gegeven, waaromtrent Mauricius in zijn journaal 
het volgende aanteekent: //De maaltijden waren met een 
//geselschap van meer dan 150 personen en grooter dan 
//ooit hier was geweest. Op alle vier deze feestmaaltijden, 
//heb ik de gezondheden ingesteld van H. H. M., Z. Hoog- 
^heid, H. K. Hoogheid en Oranjestam, de drie Heeren 
//Commissarissen; waarop door den Heer Qeneraal is inge* 
//steld reciproquelijk die van de Edele Sociëteit en de Gou- 
//vemeur: verder heb ik ingesteld die van de Heeren tot 
//de Commissie behooreiide, *t corps Officieren, de Hoven 
//en CoUegien, welstand der colonie, harmonie enz. Bij de 
4^drie eersten zijn van 't fort telkens 19 en bij de volgende 
//9 canonschooten gedaan. Aan de tafel was klinkend spel.// 

Beeds v66r de aankomst van de Commissarissen in Su- 
riname den 16''° 'November 1750, had Mauricius, — 
ziekelijk en verzwakt naar ligchaam en geest, afgemat en 
moedeloos door het uitgestane verdriet en door de hem 
aangedane verguizing en beleedigingen , — aan de Direc- 
teuren der Sociëteit om één jaar verlof naar Nederland 
verzocht, ten einde aldaar zijne zaak in persoon te kunnen 
bepleiten. 

Op blz. 469 en 470 van het 2^® Deel van het Recueil, 
vindt men den brief van Mauricius aan de Directeuren, 
waarin hij om dat verlof verzoekt, en waarin de volgende 
zinsneden voorkomen: //dewijl ik tot vindicatie van mijne 
//eere, alles wat in mijn vermoogen is, tot mijn laatste 



i) Maübicius hady voor deze feesten, geheel in gereedheid doen 
brengen het hais van zijnen zoon Pibtbr, staande in de Gravenstraat, 
op bet erf waar thans de Boomsch-Katholijke kerk is geboawd. Dit 
hais, het ruimste der kolonie, kwam hem het meest geschikt voor. 

De kosten van al deze feesten bedroegen ongeveer 8000 gulden. 



Digitized by 



Googk 



106 



//druppel bloeds wil aauwenden. Ik veizoek van mijue qua- 
^liteit te behouden, offereerende de helfte mijner gages te 
4rcedeeren aan dengeenen, die UWEGA. de waameeming 
iB'van mijn ampt, onderwijl zult gelieven toe te vertrouwen.«^ 

Dat het voor Maueicius eene zeer groote opoffering was 
Suriname te verlaten, blijkt reeds daaruit, dat hij, zoo als 
hiervoren werd gezegd, zich, bij zijn vertrek uit Neder- 
land, geheel had ingerigt om zijne overige levensdagen 
rustig aldaar te slijten, terwijl hij ook te regt bevreesd 
was, dat het koude klimaat zijne benaauwde borst zoodanig 
zou verergeren, dat daardoor, zijne reeds gevorderde jaren 
in aanmerking genomen, zijn leven in gevaar zou kunnen 
komen. Daarbij was zijne vrouw zeer zwak en ziekelijk, 
en beschouwde hij eene zeereis met haar en met twee zeer 
jonge kinderen *) , niet zonder bekommering. Eindelijk 
hadden zijne volwassene kinderen zich allen in Suriname 
gevestigd en het was bedroevend voor' hem om, op zijne 
jaren, van deze te moeten scheiden. Inzonderheid was hij 
innig gehecht aan zijne oudste dochter *), toen Mevrouw 
Strube, en aan zijnen tweeden zoon, toenmaals Vendu- 
meester, Andeeas Maxjricius. 

Bij zijn vertrek uit Nederland had Mauricius zich, zoo 



t; Uit het derde huwelijk van Maüricids met Johanma Mahia 
Wrbbde werden te Paramaribo twee kinderen geboren: den 9» Mei 
1743 eene dochter, die Johanma Maria Philippina, en den 9<» Mei 
1749 een zoon, die Chribtoffel Jan Jacob Boebhavb van Mau- 
Ricics, werd genoemd. 

>) WILHELMINA Hambürobnsis Maürigiüs was, zoo als boven ge- 
meld is, den 26^^ Janaarij 1748 te Paramaribo gehuwd met den Fiskaal 
Mr. NicoLAAS Anthonij Kohl, die echter reeds den 27«n October van 
dat jaar overleed. Zy hertrouwde den S*» Febrnarij 1 750 met Willem 
Cabbl Strube, die den 11<» April 1751 tot Raad van politie werd 
benoemd. Zij deed in 1754 eene reis naar Nederland, doch bleef overi* 
gens in Sariname gevestigd en bewoonde het huis op den hoek van de 
Waterkant en van het Gouvcrnementsplein. 



Digitized by 



Googk 



107 

als gez^d, van al zijne goederen ontdaan. Kort na zijne 
aankomst in Suriname, reeds den 15*° October 1743, had 
hij eene plantage gekocht, aan de Boven-Suriname gelegen 
en Zandpunt geheeten. Met groote kosten rigtte hij daar 
eene suikermolen op, kocht slaven aan en noemde zijne 
toen in goede orde gebragte suiker-plantage la Simplicité. 

Eenige jaren later kocht hij aan dezelfde rivier nog eene 
plantage y Beherseba genaamd, terwijl de Directeuren der 
Sociëteit, hem den 6*° Mei 1745, aan den regter-oever van 
de Beneden-Suriname , 500 akkers land kosteloos ter ont- 
ginning afstonden. 

Maueicius, die zich had voorgesteld, aan ieder van zijne 
kinderen een rentegevend goed na te laten , had deze laatste 
500 akkers, onder opzigt van zijnen zoon Andheas, doen 
bewerken en daaraan den naam van Bilwaarder (thans Bel- 
waarde) gegeven. De plantage Purmerend aan de Beneden- 
Commewijne was, op gelijke wijze, door zijnen oudsten 
zoon PiETER aangelegd. 

Deze ontginningen , waaraan zeer groote kosten verbonden 
waren, begonnen eerst in de laatste jaren van zijn verblijf 
in Suriname eenige renten af te werpen. Bovendien had 
Mauricius nog eenige particuliere administratien van plan- 
tages, uit Nederland aan hem opgedragen, onder zich. Met 
zijnen zoon Andreas was hij onder anderen beheerder vati 
de plantage La Rencontre, behoorende aan den Graaf de 
Neale. ^) Uit een geldelijk oogpunt was dus zijne verwij- 



*) Deze was erfgenaam van Süzanna van Kinkhüijzen, dochter 
van den Secretaris Abraham van Kïnkhuijzen en weduwe van 
Mr. SiMON VAN Halbwijn , Heer van Abbenbroek. Deze , de zoon va» 
Alewijn de Halewijn en van Arnoüdina van Beaümont, was- 
Burgemeester van Dordrecht en Bewindhebber der W. I. Koropagnie. 
Hij werd in 1693 tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, docb 
ontvlugtte in 1696 nit Loevestein en vertrok naar Suriname. Zijne eerste 
vrouw Agneta de Witt, dochter van den Raadpensionaris Jan dk 



Digitized by 



Googk 



lOS 

dering uit de kolonie voor hem eene groote opoffering. 

De Directeuren verleenden aan Mauhicius het gevraagde 
verlof, en gaven hem daarvan kennis bij missive van den 
3"" April 1751, welke echter eerst na het vertrek van Mau- 
Eicius in Suriname aankwam. 

De Commissarissen hadden dadelijk na hunne aankomst 
van de ontevredenen de bovengenoemde VerzoekpuMen van 
redres ontvangen, en dientengevolge een onderzoek inge- 
steld, waarbij ook Maueicius meermalen door hen werd 
ondervraagd. Daar het hun bij dat onderzoek bleek, dat 
de klove tusschen de partijen te wijd was om ooit eene 
verzoening te kunnen hopen, achtten zij eene verwijdering 
van Mauhicius uit de kolonie voor het herstel van de rust 
onvermijdelijk. Ook schijnt het dat het aan verscheidene 
ontevredenen, inzonderheid aan Cellier, Couderc en Me- 
vrouw DüvoisiN, gelukt was, zich in de gunst van de 
Commissarissen te dringen en deze Heeren eenigzins tegen 
Maueicius in te nemen. 

Den a?*"** Maart 1751 gaven de Commissarissen van hun 
besluit schriftelijk ^) kennis aan Maueicius, met last om 
uiterlijk vóór de eerstkomende maand Junij naar Nederland 
te vertrekken, trhehoudens qualiteit en gages.» 

Maueicius, die elk oogenblik een antwoord op het door 
hem ingediend verzoek om verlof verwachtte, trof dit bevel 
zeer. Den 30*" Maart 1751 schreef hij daaromtrent aan de 
Directeuren: //Hoezeer geprepareerd, beken ik EGA. Heeren 
//dat deese slag mij bedwelmd heeft, doch ik zal UEGA. 
//niet verveelen met onnutte lamentatien. En schoon ik 
//mijn particuliere zaken in de uiterste verwarring laat, en 



WiTT en van Wendbla Biceer, overleed kinderloos. Hij hertrouwde 
in Suriname met Süzanna van Kinkhuijzbn. (Zie over hem Waok- 
jJAAR, Vaderlandsche historie, XVI« Deel, biz. 230 en volg:). 

«) Deze missive vindt men in het IV* Deel van het Recuêil, blz. 422. 



Digitized by 



Googk 



109 

//zwakker en ziekelijker ben, dan ik kan uitdrukken (gelijk 
//ook mijn vrouw sedert eenigen tijd zeer indispoost is) zal 
//ik de reize aannemen, zoo ras mogelijk, hoopende op God 
//en mij troostende met Psalm XLII : 12. *) Zoo iets mij 
//overkwam EGAH. recommandeer ik mijn vrouw en familie 
//in UHEGA. protectie, biddende UHEGA. te bedenken, 
//dat mijn getrouwe ijver voor de belangen der Edele So- 
//cieteit de voornaamste oorzaak is geweest van den bitteren 
f/en boozen haat, waarmede ik vervolgd wordt.// 

Den 11**" April 1751 werd het ophanden vertrek van 
Mauricius bij Publicatie afgekondigd, en reeds denzelfden 
dag gaf hij het bestuur aan den Generaal-Majoor von 
Spörcke over. 

De laatste dagen van zijn verblijf in de kolonie werden 
door Mauricius aan het in orde brengen van zijne parti- 
culiere zaken besteed. Met zijnen zoon Andreas bezocht 
hij nog al zijne plantages en regelde hij alles voor de 
toekomst. 

Den 15®° Mei scheepte hij zich met zijne vrouw en twee 
jongste kinderen aan boord van het schip de Jufvrouw 
Johanna^ Kapitein Gerrit Schouten, in. Dienzelfden dag 
ging hij nog in zee en verliet hij voor altijd eene kolonie, 
waar hij negen jaren veelal in onaangenaamheden en ver- 
driet had doorgebragt. 

Den dag te voren, waren ook de beide Commissarissen, 
BosscHAERT CU DE SwART Steenis *) , mct hctzelfdc schip, 
dat hen in Suriname had gebragt, naar Nederland vertrokken. 

Na het vertrek van Mauricius bragt de waarnemende 



*) „Hierbij weet ik-, dat Gij Inst aan mij bebt, dat mijn Tijand over 
„mij niet zal juichen." 

') Wij vinden Mr. Jeronihus de Sw ast Steenis in Jalij 1752 terug 
als provisioneel Secretaris van de Provinciale Rekenkamer te 's Graven- 
hagc. In Jiilij 1754 werd hij definitief tot die betrekking benoemd. 



Digitized by 



Googk 



110 



Gouverneur von Spörcke de gistende gemoederen eenig- 
zins tot bedaren, en voorzeker zou hij door zijnen invloed 
veel goeds hebben uitgerigt, ware hij niet reeds den 7*"* Sep- 
tember 1752 overleden. '). 

Over de opvolging in het bestuur ontstond een groot 
verschil tusschen den Kolonel van Verschuer, Komman- 
dant der Staatsche troepen , en den Luitenant-Kolonel 
Cromkelin, //Kommandeur der militie// en eersten Baad 
van politie. Dit hooggeloopen verschil, door ons in al zijne 
bijzonderheden medegedeeld op blz. 85 — 47 van het II« Deel 
van het tijdschrift West-Indie ^ mag hier niet geheel on- 
vermeld blijven, omdat daaruit duidelijk wordt, hoe, na 
al het gebeurde, de gemoederen in de kolonie nog aan het 
gisten waren. 

Het blijkt toch dat de meeste leden van het Hof van 
Politie , die meerendeels tot de tegenstanders van Maubicius , 
en dus ook van diens trouwen vriend Ckommelin behoor- 
den , in het minst niet genegen waren om dezen laatsten ^ 
na den dood van den Generaal von Spörcke , als waarnemend 
Gouverneur te erkennen. 

Integendeel hadden zij alles in het werk gesteld, om den 
Kolonel van Yersohueu tot het aanvaarden van het bestuur 
te bewegen. Dit blijkt uit de aanteekeningen van Cb,omme- 
LiN , *) waarin men leest : // Den Heer Colonell // (van 
Veeschuee) //was het nooit in de gedachten gekomen om 
tfhti Gbuvernement aan sich te trekken, was het hem niet 
//in 't hoofd gebragt door de voorstanders der cabale, die 
//dag en nacht gewoeld hebben, tot se die zaaken zooverre 
//gebragt hebben.// 



*) Omtrent den Generaal von Spörcke, zijnen dood en zijne begra- 
fenis zijn door ons vele bijzonderheden medegedeeld in West-lndie , II, 
blz. 35— .52. 

•) Zie Weat'lndit, II, blz. 44 en 45. 



Digitized by 



Googk 



111 



Hoewel van Vbrschuee *) gedurende eenige maanden 
(van 15 September 1752 tot 2 Febmarij 1753) de kolonie 
bestuurd had , werd , zoo als trouwens te voorzien was , de 
>yKommandeur// Crommelin , door de Directeuren geheel in 
het gelijk gesteld , welke dan ook den 2"* Februarij 1758 als 
waarnemend Gouverneur optrad. 

Mauriciüs had deze botsing tusschen Crohmelin en 
VAN Verschuer, — die, ofschoon aan de koloniale aan- 
gelegenheden vreemd, eenen hoogeren rang dan deze be- 
kleedde , — voorzien. Immers schreef hij , toen de Commis- 
sarissen den 28*" Februarij 1751 voor eenige dagen vertrokken 
waren naar de plantage Schoonoord, toen aan den Heer 
Cellier behoorende , den 5*" Maart in zijn dagboek : 

r/'s Morgens ben ik in geselschap van den Raadsheer 
ü'Pallak naar mijne plantage la SirapUcité vertrokken. De 
r/Heer Commandeur Crommelin heeft mij versocht ook van 
//het fort te mogen gaan, om 't conflict van 't commando 
//met den Heer van Verschuer te vermijden. Ik heb hem 
//sulx niet wel konnen weigeren, konnende hem in dat dis- 
//puut, so 't voorviel niet souteneeren, dewijl sijn geval 
//veel rapport heeft met het mijne , sonder dat ik daarover 
//eenig dispuut maak. 't Onderscheid is , dat in mijn geval 
//een decisie van Sijn Hoogheid is, en niet in 't Sijne.// 

Gedurende zijn verblijf in de kolonie Suriname had Mau- 
riciüs het zoo volhandig, eerst met de gewone ambtszaken 
en later nog met zijne verantwoording, dat hij geen tijd 
vond om zijne dichtbundels te verrijken of om andere werken 
te schrijven. 

Opblz. 11 van de Voorrede zijner DiclUlievende uitspan^ 
ningen lezen wij het volgende: 



*) YAN Verschuer overleed te Paramaribo, den 17*" Mei 1753. 

/Googk 



Digitized by ^ 



11^ 

^Mijn Gbuverneursampt heeft mij zooveel Inspanning 
//gegeeven , dat ik om geen Uitspanning *) heb kousen 
//denken, en 't zelfs voor een wonder moet rekenen dat 
//ik er niet onder bezweeken ben , gelijk mijn' vijanden 
//gehoopt hadden. Echter zullen de berichten ^^) die ik daar 
//heb moeten schrijven, mijn naam misschien langer in 
//geheugen houden, dan alle mijn' andere werken en ten 
//minsten in die colonie tot een monumentum aere perennius 
//strekken, om alle Gouverneurs te waarschouwen, dat zoo 
//ze daar willen order houden, en de Rechten van hun' 
//meesters naar eed en pligt handhaaven , zij altijd het lot 
//zullen hebben van de afgezondene knechten in den wijn- 



Éénige letterkundige uitspanning schijnt hij toch wel in 
Suriname genomen te hebben, blijkens de volgende zinsnede 
uit de Voorrede van zijnen Onledigen ouderdom, 

//Zelfs in alle mijne Surinaamsche verdrukkingen , is er 
//nooit een dag voorbij gegaan, dat ik niet, al was 't maar 
•//een half uur , iets voor mijn uitspanning geleezen of op- 
//gesteld heb.// 

Gedichten schijnt Mauricius echter in Suriname niet 
gemaakt te hebben , althans op blz. 31 van de bovengenoemde 
Voorrede leest men: //Neegen jaren ben ik in Suriname ge- 
dweest alwaar de poëzij geen gangbare waar is. 

//De zuure-naam^) alleen maakt met zijn bloot geluid 
//De muzen schuw en 't paard vliegt achteruit.'/ 



*) Hij doelt hiermede op de titels zijner ^^Rechtsgeleerde-" en ^^Dicht- 
^^lievende uitspanningen." 

«) De ^^ berichten" aan de Directeuren en aan de Staten -Generaal 
voor zijne verdediging gesteld en in het Recueil opgenomen. 

*) Hij zinspeelt meermalen op den naam der kolonie Suriname, dio 
hij dan Zuure-naam schrijft. 



Digitized by 



Googk 



113 

Gedurende zijne reis naar Nederland , beoefende Maumcius 
reeds weder de dichtkunst. Onder den titel van Gezang op 
zee, vindt men op blz. 145 — 165 van zijne DichtUevende 
uitspanningen y een verdienstelijk gedicht , *) dat, meteenen 
voorzang, als een //nederig smeekschrift// aan den Stad- 
houder is opgedragen. 

Deze voorzang begint aldus: 

//'K Zat in de scheepskajuit, verlegen en verslaagen', 
//En doof van 't zeegeruisch, te peinzen, hoe 'k 't best, 
//En 't minst verveelend, met een uitgebreid request, 
//Mijn waaren toestand aan, Uw Hoogheid voor zou draagen.// 

Verder worden daarin de moeijelijkheden, gedurende zijn 
verblijf in Suriname ondervonden, zijne goede bedoelingen 
en al het nuttige door hem in die kolonie tot stand ge- 
bragt, opgesomd. Onder anderen komt dienaangaande het 
volgende voor: 

//Ver over 30 jaar, een derde van een eeuw, 

//Heb ik den Staat gediend, en 't gunstig welbehaagen, 

//Der Heeren meer dan eens gelukkig weggedraagen ; 

//In negen jaaren van mijn ^f*«^r<9-land voogd ij , 

//Is 't land V* en meer verbeterd in waardij; 

//Gantsch Kommewijne') met een dubblen boog van huizen 

//Plantaadjen , lijn aan lijn , met schuuren , lootsën , sluizen, 

//4 mijl op nieuw bewoond, met slaven zonder tal, 

//Waarvan men na mijn tijd de vrucht eerst trekken zal , 



') Dit gedicht wordt onder bijlage V in zgn geheel medegedeeld , 
daar toch de werken van Madricids niet algemeen verkrijgbaar sijn. 

*) Alle plantages aan de rivier de Commewijne gelegen , van het fort 
Nieuw Amsterdam af tot aan het fort Sommelsdijck , zijn onder bet 
bestnnr van den Goavemeur Mauricius aangelegd. Deze gronden 
werden in 1749 uitgegeven. 

8 



Digitized by 



Googk 



114 



//'k Droeg al de lasten van mijn ampt , bij nacht en dagen , 
//Vaak met mijn kwaal *) op 't lijf of Surinaamsche plaagen. 
/'Ik heb weetene aan geen mensch ooit ongelijk gedaan , 
i/Ot noemt men ongelijk , *b Lands wetten voot te staan ? // 

In eene noot terzelfde plaatse , teekent Mauricius dit aan : 
//Alles wat men op de kaart tusschen de vestingen Amsterdam 
//en Sommelsdijk geopend ziet, is onder mijn' Eegeering 
//aangelegd. Zelfs, zo men ^t crediet niet moedwillig ge- 
//pletterd hadt, zou de gansehe rivier Sarameca nu ook 
//reeds beplant zijn geweest , met eene doorsnijding na de 
A'rivier Snriname, waartoe ik 't plan en NB. de noodige 
//subscriptien *) reeds over eenige jaren heb overgesonden.// 

Op eene andere plaats, in de voorrede namelijk van het 
II» deel van zijnen // Onledigen Ouderdom // drukt Mauri- 
cius hetzelfde denkbeeld eenigzins anders uit. Daar schrijft 
hij: //Doch alle bijzonder belang ter zijde gesteld ; niemand 
//kan sterker besef hebben , dan ik , van wat aangelegenheid 
//deze dierbare Colonie voor den Staat is, en tot wat bloei 
//ze door aanvoer van slaaven , en redelijk geldverschot 
//VCTder gebragt kan worden. Geduurende mijn bestier is ze 
//ruim een vierde deel aangegroeid en zo 't ontwerp, 't 
//welk ik met de noodige inschrijvingen had overgezonden 
//door een' moedwillige breeking van 't crediet niet was 
//omverre geworpen, zou de gansche Sarameca tegenwoordig 

«) Benaaftwde bowt. 

•; Dit pljin om de WAnica-kreek (een zijtak van de Saramacea) door 
een gegraven kanaal met de rivier de Suriname te verbinden, was in 
1745 door Mauricius aan de Directeuren gezonden. Daarbij was ge- 
voegd eene insciirijving van ingezetenen der kolonie voor het benoodigde 
geld , t^D bedrage van één millioen gulden. Dit plan mogt niet tot 
stand komen, ofschoon in 1756 daartoe nogmaals pogingen werden aan- 
gewend. Een ander plan, door den Heer Louis Nbpvbd in 17fiü voor- 
geslagen (zie Habtsikck, II , biz. 563) , mogt toen evenmin de gewenschte 
ondersteuning verwerven. De vereeniging der rivieren Saramacea en 
Suriname door een kanaal had eerst jaren daarna plaats. 



Digitized by 



Googk 



115 . 

^/mede beplant rijn geweest, gelijk men ook nog aan de 
//Coppename eene nieuwe Colonie zou kunnen aanleggen, 
//zonder te spreeken van de ontwijfelbare schatten van 't 
//wijd uitgestrekte binnenland, doch die zonder vrede met 
//de Boschnegers niet ontdekt kunnen worden. 

//'t Is dus zeer natuurlijk dat ik de gelegenheid, die de 
//stoffe van zelf mij gaf, heb waargenomen om te toonen , 
//op wat vaste gronden , en op wat goede voorbeelden ik , 
//(in de gesteldheid waarin ik de Colonie gevonden heb met 
A'de aangegroeide magt van weggeloopen slaven) mijn raad- 
//slagen met rijp beraad gerigt heb. 

//Tegelijk, dewijl de beschrijvingen van Suriname tot nog 
//toe onvolkomen zijn , en echter veelen die 't land niet 
//kennen, onbesuisd op 't opschrift van den pleitzak, in 
//hun onkundig vooroordeel meesterlijk vonnis strijken, 
//(zonder zich door de ondervinding voor en na mijn' tijd 
//te willen laaten overtuigen) heb ik (daar 't voegde) ge- 
//tracht hun eindelijk een denkbeeld te geven van de onge- 
//loofelijke moeite der boschtogten, en van 't onderscheid, 
//dat er is tusschen een' opstand van binnenslaaven en een' 
//oorlog met boschnegers. // *) 

Na al hetgeen hiervoren is gezegd over de pogingen, 
die werden aangewend, om het leven van Mauricius in 
Suriname te vergallen, kan het geene bevreemding baren, 
dat hij later in zijne geschriften nog menigwerf zijn hart 
lucht gaf en niet altijd zonder wrevel gewaagde van die 
voor hem zoo moeijelijke jaren, waarvan hij zegt: 

//Negen jaren lang heb ik dag en nacht gezorgd , gewaakt , 
//geslaafd, geploegd, gezwoegd, gesweet.// 



*) Deze ontboezeming van MAülcicnrs wordt bier in zijn geheel 
medegedeeld, ofschoon het laatste gedeelte daarvan eigenlijk meer bQ 
de behandeling der boscbnegeroorlogen te hnie hehoörde. 



Digitized by 



Googk 



116 



Op blz. 187 van zijne Dichtlievende uitspanningen leest 
men nog de onderstaande verzen. 

//Verraaden van rondom, geschonden en vertreeden, 

//Door duizend ongerechtigheden, 

//Van arbeid afgebeuld, van zielsverdriet verteerd, 

//Ontvlucht ik uit een kuil , daar d' ondeugd triompheert , 

//£n ga in 's waerelds andre hoeken, 

//Al waar het in een wildernis, 

//Een afgelegen' vrijplaats zoeken , 

//Daar waare deugd en eer voor boosheid veilig is.// 

In een gedicht toegewijd aan Jonkheer Witj.em van 
Haken, drukt hij zich over dat onderwerp nog aldus uit: 

//Ik veeg na zooveel' jaaren 
//Den roest weer van mijn' snaaren, 
//En grijp met stramme hand 
//De luit weer van de wand. 
/ylk heb mijn' tijd yersleeten 
//Bij slimmer dan de Geeten. 
//Sprong daar de Hengstebron , 
//Zij droogde van de zon. 
//Men zou de zaiiggodinnen 
//Katoen daar leeren spinnen, 
//En zo 't gevleugeld paard 
//Daar neerstreek in zijn vaart, 
//Men zou hem , onbeslaagen , 
//In suikermolens jagen. ») 



1) Hij doelt hiermede op de door paarden gedreven soikermolens , 
waarvoor elk jaar met groote kosten vele paarden werden ingevoerd. 
Zie WeaUindit, II, blz. 114. 



Digitized by 



Googk 



117 

//Nu adem ik weer lucht, 
//En wil met nieuwe vlugt 
//Langs toebegroeide trappen 
//Den Helikon opstappen.// *) 

Ook deelt hij ons op blz. 186 van zijne Dichilievende 
uUêpanningeüj omtrent een door hem vervaardigd grafschrift, 
het volgende mede: 

r/In den jare 1748 bij de eerste stormbui der vervolgin- 
ffgGD. was mijne gezondheid in gevaar. Ook was 't oogmerk 
//mijner vijanden , mij in 't graf te trappen , eer ik mij ver- 
//dedigen kon. Ik maakte toen dit grafschrift : 

//Hier rust Maumcius, het vroeg begrijsde hoofd, 
"//Van ziekten, zorgen en landsdiensten afgesloofd. 
//Zijn roosen stonden stijf van doornen allerwegen , 
//En 't schijngeluk, dat hem sijn arbeid had verkreegen 
//Verstrekte aUeen om 't niets van 's waerelds hoovaardij , 
//En grootheid hem te doen beschouwen van nabij. 
//Wat schaadt hem nu de nijd en lastering van menschen , 
//God, die de oprechtheid van zijn' wegen heeft gekend, 
//Tot wien hij steeds zijn' hoope en zuchten heeft gewend , 
//Bekroont zijn' arbeid , en vervult nu al' zijn wenschen. 
//Zijn ziel, in 't Hemelsch licht, beschouwt nu van omhoog 
//Zijn' bittre haaters met een medelijdend oog.// 

Maueicius kwam met zijn gezin behouden in Nederland 
aan en wachtte te 's Gravenhage , waar hij zich met der 
woon vestigde, de beëindiging zijner procedure af. 

Op het advies door den Hoogen Eaad uitgebragt, werd 
Maueicius door de Staten-Generaal , bij Resolutie van 



*) Zie de Dichtlievende uitspanningen, blz. 167. 



Digitized by 



Googk 



118 

den 15*''' Mei 1753, vrijgesproken van alle tegen heminge- 
bragte beschuldigingen , terwijl aan Salomon Duplessis ') 
werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem inge- 
diende requesten gevolg kon worden gegeven , weshalve zij 
als niet ingekomen zouden worden beschouwd. Duplessis 
werd bovendien veroordeeld om alle kosten te betalen , terwijl 
aan den Fiskaal der Oeneraliteit en aan Mr. Jan Jacob 
Maüricius de bevoegdheid werd voorbehouden om Salomon 
Duplessis wegens laster te vervolgen. 

Zoowel de Fiskaal als Maubicius stelden eene actie van 
injurie tegen Duplessis in, hetgeen ten gevolge had, dat 
hij voorloopig op de Gevangenpoort te 'sGravenhage in 
hechtenis werd gehouden. 

Toen Duplessis werd uitgezonderd van de algemecne 
amnestie, die bij de Publicatie der Staten-Generaal van 
den 20*" Julij 1753, voor alles wat' de Surinaamsche ge- 
schillen betrof, was uitgevaardigd, zond hij den daarop- 
volgenden dag een dringend request aan de Staten-Geneaal 
in , met verzoek om ook in de amnestie te worden begrepen. 

Dit verzoek werd door de Algemeene Staten , bij Resolutie 
van den 23^ Julij 1753, toegestaan, onder voorwaarde 
evenwel, dat Duplessis alle gemaakte onkosten onmiddellijk 
voldoen en nimmer weder naar de kolonie Suriname ver- 
trekken zou. 

Deze belangrijke procedure was alzoo beslecht tot eer 
van Maüricius, die de voldoening mogt smaken, dat zijne 
vijanden geene enkele der tegen hem ingebragte beschuldi- 
gingen ingang hadden kunnen doen vinden. 

Omtrent den verderen levensloop van Duplessis zijn ons 



*) Wij hebben, in navolging van het Recueii , de spelling van Du- 
pLESSia aangenomen, ofschoon die op andere plaatsen meermalen ook 
als Dü Plessis of or Plessis wordt aangetroffen. 



Digitized by 



Googk 



119 

geene bijzonderheden bekend. Alleen vinden wij aangeteekend 
dat zijne echtgenoote Jo&anna Maegarbtha van Stsijp, ') 
in het jaar 1769 te Paramaribo overleed, en dat hij eenen 
zoon RiJNiKE *) en eene dochter Mabia Süzanna') genaamd, 
naliet. Deze dochter schijnt den woeligen en heerschzuchtigen 
aard van haren vader te hebben overgeërfd , althans zij heeft 
zich in de kolonie Suriname eene trenrige vermaardheid 
verworven. Zij was eerst gehuwd met den Heer Grand , *) 
die in 1762 te Paramaribo overleed , en toen in Suriname 
hertrouwd met J. P. Stolkbrt , stiefzoon van den Qouver^ 
neur-Generaal Jan Nepvbu. *) 

Zij overleed te Paramaribo, den 6*"* October 1795 en 
ligt aldaar onder een zerk ^) begraven, waarop thans nog 
deze woorden te lezen zijn: 

MARIA SUZANNA DUPLESSIS, 

geboren in Suriname, den 10 Maart 1739, 

Ontclapen den 6 October 1795. 

Eijndelijk hen ik tot rust gekomen, 

Mauricius had zich, bij het verlaten van Suriname, en 
ook gedurende de eerste tijden van zijn verblijf in Neder- 



<) Zij was , zoo als bovea gezegd , wednwe ait een vroeger huwelijk 
van Daniel Pichot Isaacsz". 

«) Waarschijnlijk is dit B. J. du Plessis, die op den 4«» April 1771 
benoemd werd tot Raad van Civiele Justitie. 

s) Wij vinden haar ook Maria Johanna Duplbssis genoemd. 

*) F. L. W. Grand was eigenaar van de plantage Grand-plaisir, aaa 
de Beneden-Commewyne , later Nijd-en-Spyt genaamd. 

») De Gouverneur Jan Nepvbü was eenige jaren te voren hertrouwd* 
met de weduwe van den Heer J. Stolkert , eigenaresse van de plantage 
Hecbt-en-Sterk , aan de Beneden-Commewgne. 

*) Zie Tebnstra, Landbouw in dé kohnie Suriname ^ II, biz. 116, 
waar men leest: „Mevrouw Stolker, van geboorte Duplbssis, was 
„dezelfde Mevrouw S., waarvan Stedman gewaagt." Zie Stedman, 
II, blz. 15 en 214. 



Digitized by 



Googk 



120 

land, nog gevleid als Gouverneur naar de kolonie terug te 
keeren. Na afloop van de procedure begreep hij echter 
daarvan te moeten afzien, en verzocht hij mitsdien zijn 
eervol ontslag als Gouverneur-Generaal van Suriname, dat 
hem den 1*'' Augustus 1753 door de Directeuren der So- 
ciëteit werd verleend. 

Dienzelfden dag werd Matjbicius toegelaten in de ver- 
gadering der Directeuren te Amsterdam, en hield A&ix 
eene merkwaardige redevoering, die men in het V' Deel 
van het Recueil (blz. 118—120) en in het frBealuU der 
ffBichtlievende uitêpanningen^v op blz. 216 en volgende 
aantreft. 

Het komt ons niet onbelangrijk voor, die aanspraak hier 
te doen volgen als eene proeve van den proza-stijl van 
Mauricius. 



//Aanspraak, gehouden door Mr. J. J. Mauricius, in de 
//vergadering van Directeuren der Sociëteit, op 1 Augustus 
//1753, bij het nederleggen van het ambt van Gouvemeur- 
//Generaal van Suriname.// 

ff Edele Groot Achtbare Heeren! 

//De reden, waarom ik de Eer heb tegenwoordig in 
//UEGA. vergadering te verschijnen, meriteerde een' sier- 
//lijke en wdbestudeerde Redenvoering. Maar dewijl ik dit 
//moment considereer, als deimportantste en gesignaleerdste 
//Epoque van mijn levensloop, beken ik, dat mijn ontroe- 
//ring mij niet toelaat te spreeken, met die tranquileteit , 
//die ik meen nodig te zijn, om iets te zeggen, dat de 
//attentie van een zoo aanzienlijk coUegie waardig kan zijn, 
//en zoo dus mijne woorden niet beantwoorden aan Uw Ed. 



Digitized by 



Googk 



121 



/j'GA. verwachting, bid ik UEGA. dat gebrek gelieven te 
/'suppleeren , met derzelver gewoone goedheid, en gunstig 
//te considereeren , dat geen woorden konnen uitdrukken, 
//'t geen ik op dit moment in mijn hart gevoele. 

//Wanneer ik over ruim elf jaaren, op mijn vijftigste 
//jaar, de eer had op deeze eigen plaats te zitten *), was 
//mijn voornoemen het overige mijner dagen te Surinaame 
//in Uw Ed. GA. dienst te eindigen; ik heb daartoe al' 
//mijn' familiebeschikkingen gemaakt; ik heb zelfs mijn 
//grafsteede uitgezien en geordonneerd. Doch de Goddelijke 
//Yoorzienigheid heeft het anders behaagd! en na veele 
//wonderlijke toevallen en agitatien, zie ik mij tegenwoordig 
//in die omstandigheden, dat ik het ampt, 't welk ik nu 
/relf jaaren (zoo ik' er de laatste twee mag bij reekenen) de 
//Eer heb gehad te bekleeden, met alle respect weder in 
//Uw Ed. G. A. schoot kom nederleggen, met ootmoedige 
ff bede ^ dat Uw Ed. G, A. mij mijn' dimissie gelieven te 
f/accordeeren. 

//Ed. G. A. HH,, ik doe dit verzoek met een ontroerd 
/5'hart. 'T zou - in mijn' mond niet passen te zeggen , dat 
//mijn retour voor de colonie 't beste en 't nutste zoude 
//zijn geweest, hoewel de honorable wijze, waar op *t UEGA. 
//behaagd heeft, zig op dat poinct te expliceeren, mij ont- 
// schuldigen zou van verwaandheid, zoo ik mijn' sentiment 
//conformeerde met dat van mijn' Heeren en Meesters. 
//'T zal dus modester en decenter wezen, wanneer ik zeg, 
//dat' er veele persooneele en particuliere redenen zijn, die 
//mij dat retour hadden doen wenschen. Zo ik in mijn 
//Gouvernement was hersteld geworden, zou ik op mijn een 



1) In 1742 T<5(5r zijn vertrek naar Sariname, toen hij eene aanspraak 
deed aan de Directenten der Sociëteit, welke aanspraak echter niet ge- 
schikt was, om in het openbaar medegedeeld te worden. Zie het ^^Besluit 
^^der DichtUevende uitspanningen,** Voorrede, blz. 15. 



Digitized by 



Googk 



122 



//en sestigste jaar eindelijk geweeten hebben, waar ik mijn 
//leeven eindigen zou, doch, dewijl de behouding van mijn' 
//gages geaccrocheerd is aan 't uitzicht van een' commis* 
//sie, ben en blijve ik in dezelfde onzekerheid, waar ik 
//mijn' oude dagen eindelijk slijten zal. Men weet boven- 
//dien, dat dit climaat zeer nadeelig is voor de swakke 
//bofst, waarmede ik van jongs af geworsteld heb, en ne- 
//gen jaaren in de warmte geweest zijnde , valt mij de koude 
//onverdraagelijker , dan ooit te vooren. 

//Ik wil verder geen woord zeggen van mijn interest, 
//dewijl de geinteresseerdheid nooit mijn foible is geweest; 
//en 't zou tegenwoordig ook indiscreet zijn van mijn inte- 
//rest verder te spreeken, nadat ik onder hooge directie 
//over mijn interest getransigeerd heb. Doch ik moest een 
//steen zijn, EGA. Heeren, zo ik ongevoelig was aan de 
//afecheuring ^) van kinderen en kindskinderen, die ik te- 
iï'genwoordig na menschelijke apparentie in dit leven nooit 
/^zal weder zien, vooral de afscheuring van een' waarde 
//Dochter (Mevrouw Strubb) , die ik teder lief heb , en die 
//mijn' tedere liefde waardig is, zelf na het getuigenis van 
//mijn' ergste vijanden. 

//Ed. Gr. Achtb. Heeren, ik onderwerp mij echter in dit 
it^alles met nederigheid aan de leiding van de Providentie, 
//die mij, door veele wonderlijke, en niet altijd eeven 
//zachte wegen, tot hiertoe gebragt heeft, en in dit em- 
//baras is 't mij een' groote consolatie, dat ik 't genoegen 
//heb van 't gezag en de rechten van üEGr.A. op een' 
//vasten voet te zien gebragt; dat gezag, EGAH., en die 
//Rechten, die ik altoos, als een eerlijk dienaar, ijverig 



«) De nitkomst heeft m^n* bedncbtheid op dit punt meer dan al te 
zeer gerechtvaardigd door oogelooffeiyke ongelukken , die ik voor 't 
grootste gedeelte aan mijn' afwezenheid moet toeschrijven. 

(Noot van Mauricics.) 



Digitized by 



Googk 



123 



//gedefeüdeerd heb, en welkers ijverige defensie mij den 
//haat van wederspannelingen , die altijd tegens de Ed. So- 
//cieteit gecabaleerd hebben, en alle de ongelukken, die mij 
>yzijn overgekomen, op den hals heeft gehaald. Mijn tweede 
//consolatie is, EGAH., dat ik 't geluk kan hebben van 
//mijn ampt neder te leggen, als een man van Eer. Ik heb 
//'t geluk van mij gejustificeerd te zien , niet alleen clpor 
//'t favorable getuigenis van ÜEGH., 't welk alleen genoeg 
//hadt behooren te zijn; dewijl IJWEQA., door een' gecon- 
//cateneerde kennisse van zaaken, best van mijn gedrag 
ij' konden oordeelen, maar zelfs, door 't rapport van de 
/s'Heeren Commissarissen, die mij hebben opgezonden, en 
//die verklaard hebben geen' schuld in mij te vinden, zo 
//als haar Kon. Hoogheid, reeds over een jaar, de goed* 
//heid heeft gehad aan de Ed. Sociëteit te declareeren. En 
^of zulks nog niet genoeg was, heeft nog mijn' onschuld, 
ffiïSL dat alles, de smeltkroes moeten passeeren van 't naauw- 
//keurig examen • van een' respectable Eechtbank , die bij 
Ahaar advies, mij onschuldig, en mijn' beschuldiger een' 
if strafbaren calumniateur heefb verklaard ; een advies , 't 
//welk geconfirmeerd is door een formeele resolutie en sen- 
//tentie van den Souverain, en 't welk Haare Kon. Hoog- 
//heid bij 't jongste rapport, nog over weinig dagen, goed- 
/i'gunstig heeft gelieven te bevestigen. Ik voeg' er nog voor 
//een derde consolatie bij, EGAH., dat ik mij flatteer, dat 
/^TJEGA. voldaan zijn van 't getrouw attachement aan 
/yUEGA. dienst, 't welk ik tot het laatste moment in dee* 
ü^zen getoond heb. UEGA hebben mijn fermeteit gezien, 
//waarmede ik alle particuliere propositien heb gerecuseerd, 
//in eene tijd toen ik nog in een zorgelijken staat van on- 
ir zekerheid was. Eii UEGA. weeten de presentatien, die ik 
//nog gedaan heb, niet alleen, na mijn' justificatie, maar 
^ zelfs na 't gesloten accoord. 



Digitized by 



Googk 



lU 



//Ik kan dan zeggen, EGAH.: Saó Patriae Priamoque 
ff datum ^ en dewijl 't dan zo wezen moet, is mij niets 
//overig, dan God Almagtig met gebogen knieën te danken 
//en te looven , dat hij , die mij van der jeugd aan geleerd 
//heeft, mij in mijn' onderdom niet heeft verworpen, en 
//niet alleen mijn leeven genadig gered uit zo veele gevaa- 
//rea van zee, van ziekte, van booze menschen, maar mij 
//ook den geest opgebeurd, en mijn' krechten ondersteund, 
//om niet te bezwijken onder den berg van valschheden, 
//die mij op 't lijf was geploft, en onder alle de chagrijnen, 
/i'Waarmede ik getergd en gedrukt ben geweest, tot dat Hij 
//eindelijk mijn omswerven geteld heeft, mijn duisternis 
//doen opklaarcn, en aan mij een teken gedaan ten goede, 
//tot beschaaming van mijn' Haaters, die mij bitterheid 
//hebben aangedaan, dog die gevallen zijn in 't midden van 
//den kuil, dien zij voor mij gegraaven hebben. Noch dank 
//ik God bijzonderlijk, dat Hij mij een zachtmoedig hart 
//heeft gegeven, vrij van wraakzucht, en gedisponeerd om 
//Hem te bidden, dat Hij aan mijn' vijanden 't kwaad, dat 
//ze mij gedaan hebben, vergeeven wil, vooral aan zulke, 
//die waarlijk niet geweeten hebben wat ze deeden. 

//Naast God, Ed.GrA. HH., zijn 't UEGA., die ik met 
//alle respect bedanken moet, voor alle de weldaaden, die 
//UEGA. aan mij en de mijnen beweezen hebben, doch bij- 
//^onderlijk voor de noble en cordaate wijze, waarop UEGA. 
//mijn onschuld verdeedigd, en mij in alle mijne vervol- 
//gingen geprotegeerd hebben, gelijk ik ooit nooit genoeg 
//kan erkennen alle de moeite, die verscheiden leden van 
//UEGA. aanzienelijke collegie van deze zaak gehad hebben. 
//Bij zonderlijk moet ik, ten opzigte van 't laatste, mijn 
//verpligting betuigen aan den Heere Secretaris van Meel *), 

<) Mr. JoAR HüBBRT TAM Meel, Secretans van de Spcieteit van 
Suriname sedert 1720. 



Digitized by 



Googk 



125 

//wiens pen TJEGA. gebruikt hebben om mijn onschuld te 
//defendeeren , eer ik nog te Suriname wist, dat ik beschul- 
//digt was, veel min, waar mede ik beschuldigt wierd. 
//Nooit kan ik genoeg admireeren de soliditeit en te gelijk 
//de promptitude, waarmede dat eerste Bericht ^), in zoo 
//kort geprecipiteerden tijd, is opgesteld, en al de wereld 
//begrijpt nu van achteren, dat dit Bericht, in substantie, 
//reets alles behelsde, wat ik naderhand breeder heb moeten 
//deduceeren, en dat aldus hetzelve alleen had kunnen vol- 
//staan tot mijn' ontschuldiging. 

//Laat mij gepermitteerd zijn , EGA. H. , bij deeze occasie 
//mij en de mijnen te recommandeeren in TJEGA. protectie, 
//en schoon TJEGA. tegenwoordig mij staan te dimitteeren 
//uit haar' dienst, bid ik echter, dat TJEGA. voor mij 
//altoos behouden willen die gunst en genegenheid waar- 
//meede TJEGA. mij altijd gehonoreerd hebben. Immers van 
//mijne zijde , schoon ik den naam van Gouverneur van 
//Suriname staa kwijt te raaken, zal ik echter altijd den 
//naam en de daad behouden van TJEGA. dankbaaren, ieve- 
//rigen en getrouwen dienaar , en daar mijn Pen , mijn 
//mond, en in 't geheel mijn' Perzoon ooit aan de Sociëteit 
//van eenig nut kan weezen, zal ik mij altijd tot een pligt 
//en tot een glorie reekenen aan TJEGA, blijken te konnen 
//geeven van mijn ootmoedig respect, en van mijn' oprechte 
//welgemeende dankbaarheid. En schoon ik tegenwoordig 
//buiten staat gesteld wordt, TJEGA. Heeren, om de goedheden 
//van TJEGA. verder met weezendlijke diensten te konnen 
//beantwoorden , zal ik echter , zoolang ik een druppel bloed 
//in de aderen heb, nooit ophouden Qod te bidden, dat 
>yHij UEGA. perzoonen en Hooggeëerde familien met zijn' 



*) Zie dit uitvoerig en belangryk stuk, aan de HHM. ingezonden, 
in het 1" Deel van het Recueily blz. 93 en volg: 



Digitized by 



Googk 



ue 



f/zeegeu gelieve te overstroomen ; dat Hij UEQA. Eegeering 
//gelukkig en bestendig maake, en onder UEGA. directie 
//de Colonie doe groeijen en bloeijen.// 



De Burgemeester van Amsterdam Mr. Coenelis Hop, 
Voorzitter van de vergadering der Directeuren, antwoordde 
Matjeicius op eene voor dezen zeer vleijende wijze, en 
zeide onder anderen : //Dat het den Directeuren , ten uiterste 
//voldaan over zijne conduites, belijd en wijze directie ge- 
//durende zijn Gouvernement, zeer smart hij zijn demissie 
inkomt vraagen ; dat zij echter overtuigd zijn , dat zij hem 
//zijn demissie niet kunnen nog behooren te wijgeren en 
//hem mitsdien bedanken voor zijne heweezene diensten^ 
N trouw en ijver. ft *) 

Van dit oogenblik af was dus Maueiciüs geheel ontsla- 
gen van zijne betrekking als Gouverneur-Generaal eener 
kolonie, waar hij zoo veel leed, onaangenaamheden en ver- 
guizing had moeten ondervinden. 

Onmiddelijk na zijne terugkomst uit Suriname had de 
rustelooze en werkzame Maueiciüs het ambt van Pensio- 
naris der stad Purmerend weder aanvaard, voor zoo ver 
de werkzaamheden als Gedeputeerde ter dagvaart te 's Gra- 
venhage *) betrof. 

Er ' was namelijk door de Regering der stad Purmerend 
den 26*'' Januarij 1729 bepaald, dat Maueiciüs, toenmaals 
Resident te Hamburg en die reeds vroeger tot Pensionaris 
ad vitam was benoemd, den titel en de waardigheid van 



>) Zie het extract uit de Resolutien der Directeuren van de geoc- 
troijeerde Sociëteit van Suriname. (Recueil, Deel V, biz. 121.) 

«) Sedert 1740 was het Pensionaris-ambt te Purmerend opgedragen 
aan Mr. Johan Hochus van Til. 



Digitized by 



Googk 



ni 

Pensionaris zou blijven behouden. ') Zoo had hij dan ook 
in 1736 en in 1740, als Pensionaris-honorair van Purme- 
rend de vergadering der Staten van Holland te 's Gravenhage ') 
bijgewoond, waar hij zich toen met verlof uit Hamburg bevond. 

Den 5*" December 1753 werd Mauricius, in de verga- 
dering der Staten van Holland, op nieuw als Pensionaris^ 
honorair van Purmerend beëedigd. 

Maubiciüs besteedde den hem overblijvenden tijd met 
het verzamelen en ter perse leggen van zijne verspreide 
dichtwerken, en vestigde zich, met het doel om zijne ver- 
dere dagen rustig te slijten , te 's Gravenhage waar hij 
zich in November 1754 een fraai huis kocht. ') 

Het slshijnt niet in de bestemming van Maurioius ge- 
legen te hebben , om zich rustig op eene plaats te kunnen 
nederzetten; althans hij zegt, dat hij naauwelijks in zijne 
nieuwe woning op orde was gekomen , of hem werd in het 
einde van 1755 aangeboden, om voor de tweede maal als 
Minister van den Staat naar Hamburg te vertrekken. 

Toen bij dit aanbod aannam, werd hij reeds den 23"* 
Maart 1756 tot die betrekking benoemd en vertrok hij 
met zijn gezin op nieuw naar zijne oude woonplaats Ham- 
burg. De Algemeene Staten hebben hem later, bij resolutie 
van 19 Januarij 1757, eene som van ƒ 1000 voor equi- 
pagegeld en reiskosten toegestaan. 



*) Dit geschiedde Daar aanleiding van het door MAuaxgius in eenen 
brief van den 2«n Januarij 1729, gedane verzoek. 

«) Zie het Recueil, II, biz. 505, § 74. 

') Uit een kohier van den 200» penning van het jaar 1757 blijkt, 
dat dit huis gelegen was aan de Zuidzijde van bet Westeinde , nabij de 
Assendelftstraat. Dit huis behoort thans aan den Heer W. Cool. Met 5 
kleine daarbij behoorende huisjes (van N^ 242 — 246 aangeteekend) be- 
taalde hij voor dat huis (N^ 239) ƒ 44 in de grondlasten. Blijkens 
datzelfde kohier bezat Mauricius toen te 's Gravenhage nog een huis , 
gelegen aan de Noordzijde van de Nieuwe Molstraat , (N®. 4973) waar- 
voor !iij ƒ 24 aan grondlasten verschuldigd was. 



Digitized by 



Googk 



-128 

Het blijkt niet , dat Maueicius gedurende zijn tweede 
verblijf te Hamburg , *) op het staatkundig terrein veel 
bijzonders heeft uitgerigt, doch daarentegen was hij dtór 
aanhoudend met letterkundigen arbeid bezig. In de eerste 
jaren bezorgde hij eene uitgave van zijne verschillende 
dichtwerken , met vele noten en aanteekeningen verrijkt. 
Gedurende de jaren 1765 en 1766 gaf hij de twee deelen 
van zijne Taallievende en historische uitspanningen in het 
licht , onder den titel van Onledigen ouderdom, In dit werk 
komt ook zijn Afscheid aan den zangberg voor, waarin hij 
zijn voornemen te kennen geeft voor goed het dichten te 
staken: //want//, zegt hij op blz. 25 van de Voorrede //zoo 
//ik reken van den tijd dat ik de eerste vaerzen heb ge- 
f/maakt, zal 't voor mij bijna 60 zijn. Op mijn 11" jaar 
//zijn er reeds gedrukt geweest.^ 

Deze Taallievende en historische uitspanningen zijn in 
zeer onderhoudenden stijl geschreven' en geven een denk- 
beeld van de veelomvattende studie en van de geleerdheid van 
Maueicius. Het zal genoeg zijn op te merken , dat daaruit 
blijkt dat Maueicius, ongerekend zijne kennis van de 
Latijnsche, Grieksche en Hebreeuwsche talen, die hij, even 
als het Engelsch , Fransch , Duitsch en Italiaansch , vol- 
komen magtig was, nog nasporingen had gedaan omtrent 
de Phenicische, Cimbrische en Celtische talen. Overigens 
toont hij ook, dat hij volkomen ervaren was in de Neder- 
duitsche taal- en letterkunde , en dat hij grondig met de 



*) Bj) het vertrek van Mauricius naar Suriname , was den 20««> 
Febraarij 1742 tot zijnen opvolger te Hambnrg benoemd Mr. Barend 
Willem Buijs , de jongste zoon van Willem Buijs en van Elizabeth 
Lestevenon. Nadat hij zijne betrekking aan Mauricius had overge- 
geven y deed hij rapport van zijne verrigtingen aan de Algemeene Staten 
op den Z^^ Mei 1756, waarna bij voor zijne commissie werd bedankt. 
Hij was geboren den l«n April 1717 en hawde in Mei 1747 met Maria 
Elizabeth Bruoüior, die den 9«n Augustus 1753 overleed. 



Digitized by 



Googk 



129. 

RomeiBsche en Grieksche geschiedschrijvers en hunne werken 
bekend was. 

Mauricius trok zeer te velde tegen het toen, zoo het 
schijnt, algemeen heerschend gebruik om aan de kinderen 
zeer jong het Pransch te doen leeren , met schromelijke ver- 
waarloozing der studie van hunne moedertaal. In het 11^ deel 
VBJï zijnen Onledigen ouderdom^ op blz. 793, leest men 
daarover het volgende : 

//Zij zorgen om de kinderen Fransch te leeren en hunne 
//moedertaal niet te leeren en niet te hooren spreken voor 
vdat het Fransch eerst recht in hen geworteld is, zich 
//zorgvuldig wachtende die harde domme taal te leeren. Dit 
//is nog te vergeven aan hen die er de kost mede verdienen 
i/als gouvernante , maar van rondom wordt het kind in dat 
//geloof versterkt. Als 't een woord Transch stamelt roepen 
//allen die 't hooren met een uitschreeuw: Ife^ dat kind 
f/spreekt Fransch I Mij geheugt dat een Fransch Heer in 
//ons logement in den Haag een hond bragt, dien hij in 
//'t Fransch kunsten liet doen. Een der boden wiens verstand 
//hiervoor stil stondt , riep uit : mijn Hemels die hond kent 
» Fransch! 

//Men neemt bij voorkeur Mademoiselles die geen woord 
//Hollandsch kennen. Dit wordt voor een groote mérite 
//gehouden. Cest un trésor; elle ne sait pas un mot 
ff cFHo llandais. // 

Op eene andere plaats, zegt hij : 

//MiJLius in zijn opdragt merkt aan, en zoo ik geloof 
//met reden , dat alle volken hun' eigen taal boven alle 
//andere stellen , doch wij alle andere boven de onze. Een 
//aanmerkelijk voorbeeld kan ik daarvan bijbrengen. In 
//America, in de Fransche Colonien leeren de negerslaven 
//Fransch, in de Spaansche, Spaansch, in de Engelsche, 
//Engelsch. Dus spraaken de negers in Suriname, eer wij 

9 



Digitized by 



Googk 



130 



//die coloiiie haddeu Eiigelsch. Doch wij , in plaats van hen 
//HoUandsch te laten leeren , hebben hun taal aangenomen 
//die mettertijd een brabbeltaal is geworden, welke men 
ffNeger-Engelsch noemt.// *) 

Uit Hamburg onderhield Mauriciüs eene zeer levendige 
en belangrijke briefwisseling met den Heer van Kruiningen, 
met den geschiedschrijver J. Wagenaar *) en met zijne 
nicht JoHANNA Maria Boerhave , eenige dochter van den 
Hoogleeraar en toen weduwe van den Graaf de Thoms. 

Op blz. 32 van de Voorrede in het I^ deel van den 
Onledigen Ouderdo7n meldt Mauriciüs, dat hij ook de eer 
mogt genieten briefwisseling te onderhouden met Prins 
Willem IV en met de Prinses //die bij 't Britsche Konings- 
// bloed een Nederlandsch hart bezat, en die // , zegt hij , 
//'t HoUandsch zeer zuiver en zonder eenigen Engelschen 
//tongval sprak.// Den 1*° April 1758 schreef zij hem ouder 
anderen deze woorden : //Je vous prie de continuer ^ m'écrire 
//en HoUandais, profitant toujours par 1^.// 

In de laatste jaren van zijn leven moest Mauriciüs veel 
verdriet ondervinden, vooral door herhaalde sterfgevallen 
onder zijne kinderen. 

In de Voorrede van het II* deel van zijnen Onledigen 
Ouderdom^ lezen wij dienaangaande het volgende: 



>) De juistheid van deze opmerking van Mauriciüs wordt daardoor 
gestaafd , dat in de districten Nickerie en Coronie , waar vele Engelschen 
als eigenaren of directeuren op de plantages wonen, door de negers 
van dit in Suriname gelegene plantages zuiver Engelsch wordt gesproken , 
terwijl overigens algemeen door de negers niets dan Neger-Engelsch 
wordt gebezigd.' 

•) Zie het Vervolg van Wagenaab's Beschrijving van Amsterdam , 
Ille boek, blz. 552 en 553 en het Leeven van Jak Waobnaar, door 
P. H. Bakker , waarachter de verzameling der brieven van en aan 
Wagenaar geschreven. Op blz. 119 tot 133 vindt men daar den 38«n 
en 41«n brief door Mauriciüs aan Wagenaar en den 39«n, 40»" en 
42en door dezen aan Mauriciüs geschreven in 1761 en 1764. 



Digitized by 



Googk 



131 



//Niets is harder dan de natuurlijke straffe van 't lange 
//leven , dat men van jaar tot jaar zijn' oude vrienden ver- 
//liest, en de lijken van zijn' kinderen voor zich ziet uit- 
//dragen. Toen ik mijne Rechtsgeleerde uitspanningen over 
//43 jaren schreef, dacht ik weinig dat ik in 't einde vaTi 
/rmijn zwervend leven , dit op eene zoo ongemeene wijze 
//(waarvan mogelijk geen voorbeeld is) ondervinden zoude. 
iC Hoeveel waarde vrienden , hoeveel edelmoedige begunstigers 
//heb ik niet overleefd ! En als ik mijn eigen huis overzie : 
//nadat mij in jonger' tijd twee beminde vrouwen (in den 
//bloei van haar leeven) met 4 zoonen en een dochtertje 
//(in derzelver eerste jeugd) waren afgesturven, heb ik in 
//de laatste 11 jaaren,en dus sedert mijn 62° jaar, 3 zoonen 
ys'verlooren in mannelijken ouderdom. De l*' was Kapitein 
//in Staatsche dienst, *) de tweede Burgemeester en Raad 
//van Purmerende en tegelijk (behoudens zijn' rang in 't 
//Vaderland) benoemd tot Raad van Politie in Suriname, *) 



*) Jan Floris Mauriciüs, geboren te 's Hage uit het eerste h^welijk 
van Mauriciüs en gedoopt den 26en Julij 1713, trad vroeg in krijgs- 
dienst, werd zeer spoedig door voorspraak van de Regering van Pur- 
merend, Kapitein eener kompagnie infanterie, waarmede hij in 1751 
onder den Generaal von Spörcke naar Suriname vertrok. Hij werd 
aldaar den Se» Februarij 1 753 aangesteld tot Havenmeester en overleed 
te Paramaribo ongehuwd den 26«tt Augustus 1754. 

*) De tweede zoon Pibter Mauriciüs was als Vaandrig en Adjudant 
met zijnen vader in Suriname gekomen , den 3«ï» Januarij 1 743 aange- 
steld tot Vendumeester en reeds den 25«n December 1742 gehuwd met 
Anna Magdalena Bleu, dochter van den meergenoemden Kom- 
mandenr Johannes Bleu, wiens weduwe hertrouwd was met den Raad 
van Politie Charles Godeprou. Zoo als gemeld is, was Pibter Mau- 
riciüs aanlegger van de plantage Purmerend en door zijn huwelijk 
werd hij eigenaar van de plantages Curcabo (later Stolkertsijver) en 
Simiritibo aan de Boven-Commewijne. 

Hij vertrok den 14<« April 1747 met zijne vrouw en 2 kinderen naar 
Nederland en vestigde zich te Purmerend, alwaar hij in 1748 tot 
Schepen en later tot Burgemeester werd benoemd. In 1752 keerde hij 
met zijn gezin naar Suriname terug, alwaar hij den dl«n Januarij van 
dat jaar aankwam. Den 30«° October 1753 werd hij benoemd tot Raad 



Digitized by 



Googk 



132 



//en de derde , 1* Ontfanger van de Ed. Sociëteit. ^) 
//Behalve deze 3 zoonen heb ik nog kort na malkanderen 
//twee zoons zoonen verlooren , waarvan de eene Kapitein te 
//land,*) en de andere Kommandeur ter zee was, ') zonder 
//nog te spreeken van een' schoonzoon *) en twee kleene 
//kindskinderen: sterfgevallen, waardoor mijne Surinaamsche 
//belangen gansch in verwarring zijn geraakt , doch ('t geen 
//'t gevoeligste is) sterfgevallen, die verzeld zijn geweest 
//van omstandigheden, die. naar menschelijke redeneering, 
//niet gebeurd zouden zijn, zo ik bij mijn' kinderen hadt 
//moogen blijven. 

//En nog zijn mij de traanen niet opgedroogd over mijnen 
//laatsten zoonszoon , een' wakker jongeling , die bij een 
//oprechte vreeze Gods alle de noodige bequaamheden bezat, 
yyom als een braaf zeeheld aan het Vaderland met der tijd 
//dienst te doen , doch ongelukkig in een storm op 't oorlog- 
//schip door een luik gevallen zijnde , na eenige maanden 
//quijnens over anderhalf jaar deerlijk gesturven is. Men 



van Politie en bleef in Suriname tot den l»*» April 1756. Hij overleed 
kort na sijn vertrek uit die kolonie. 

>) De derde zoon Andbeas Mauricius , den 19^^ Augastus 1743 
aangesteld tot Ontvanger der in« en aitgaande regten in Suriname, 
werd den 6"» December 1751 benoemd tot 1« Ontvanger der Kolonie 
en tevens tot Vendumeester. De laatste betrekking bad hij reeds , sedert 
het ontslag van zijnen broeder Pietbr iu 1744, waargenomen. Hij over- 
leed te Paramaribo ongehuwd den 16e»» November 1754. 

*) Omtrent de nakomelingen van Mauricius vinden wg geei^e berigten 
opgeteekend. Waarschijnlijk is deze kleinzoon, die als „ Kapitein te land " 
overleed , de zoon van Pieter Maüricics met name J. J. Mauricius Jr., 
dezelfde die blijkens eene aanteekening getrokken uit het Archief van 
Suriname den 19<» September 1757 , aangesteld werd tot Vaandrig bij 
de militie in die Kolonie. 

3) Waarschijnlijk Michael Mauricius, die in 1759 voorkomt als 
Luitenant ter zee bij de Admiraliteit te Amsterdam. 

*) Mr. NiooLAAS Anthonij Kohl , die zoo als voren gemeld is , 
gehuwd was met de oudste dochter van Mauricius, Wilhelmina 
Hamburgenbis genaamd. 



Digitized by 



Googk 



i;i3 

^misgunne aan mijne grijze hairen den troost niet, dat ik, 
/^zelf een voet in 't graf hebbende deeze dorre bloemen op 't 
//zijne strooi. 

//O tienmaal zeven jaar, wat stapelt gij op een! // 



Eindelijk kwam ook hem zei ven de dood aan alle aardsche 
beproevingen ontheffen en met zijne dierbare afgestorvenen 
hereenigen, daar hij den 21"" Maart 1768 te Hamburg, 
na een zeer smartelijk en langdurig lijden , in den ouderdom 
van bijna 76 jaren overleed. 

Er bestond tot dus ver verschil omtrent de plaats en 
den datum van zijn overlijden, zoodat men dan ook 
meestal ten onregte vindt vermeld , dat hij in Oost-Indie *) 
overleed. 

Dat Hamburg de plaats, en den ^l'^'* Maart de datum van 
zijn overlijden is, ^) blijkt ons echter afdoend uit eenen 
brief van bekendmaking den 22*^ Maart 1768 door zijnen 
jongsten zoon , tevens Secretaris van het Gezantschap te 
Hamburg, // Christoitel Jan Jacob Boerhaven van 
//Maueiciusx' aan de Staten-Generaal geschreven en nog in 
het Rijks-archief voorhanden. 

*) Zoo heeft men o. a. ook wel eens in Snriname hooren beweren , 
dat de aldaar veel voorkomende Maurüie- of waaijerpalm , (Mauritia 
flexaosa. L. f.) door Madricius nit Oost-Indie aldaar ingevoerd , naar 
hem aldns zonde zijn genoemd. Volgens anderen zou die naam ont- 
leend zijn aan dien van Johan Maürits, Graaf van Nassan, Gouver- 
neur-generaal van Brazilië. Alle twyfel dienaangaande verdwijnt, als 
men o. a.bij vonHümboldt leest, dat de Guarauno's (Warrauws), aan 
de monden van de Orinoco-rivier geheel op en van dien boom levende , 
reeds voor eenwen daaraan den naam gaven van Moriche, Zie yon 
HuMBOLDT, Relation historique, I, blz. 492, II, blz. 653 en Natuur- 
beschouwingen^ I, blz. 130 — 133. 

•) Zie o. a. Navorscher 1858, N°. 3, blz. 36 en 37. De daarin ge- 
stelde vragen vindt men allen in deze bladzijden beantwoord. 



Digitized by 



Googk 



134 

Wij achteu het niet overbodig hier nog over te nemen 
hetgeen daaromtrent in het IV" nummer van den Navorscker 
van 1858, op blz. 105 door den Heer Elseviee is mede- 
gedeeld. 

//De Hoogleeraar de Wal heeft in de Commissie voor 
i/Gteschiedenis en Oudheidkunde van *de Maatschappij van 
//Nederlandsche letterkunde te Leiden, de aandacht geves- 
//tigd op de onnaauwkeurige antwoorden die in den Na- 
tfvorscher gegeven zijn, ten opzigte van de sterfplaats van 
tfZ. J. Mauritius (b. v. te Amsterdam of in Oost-Indiën). 

//In de gedrukte missiven der buitenlandsche Ministers 
//van de Staten van Holland, schrijft de zoon van Mauei- 
/^Tiüs het volgende : 

//Dato 29 Maart 1768. 
ff Hoog Mogende Heer en! 

//Gisteren morgen is het lijk van wijlen mijnen vader 
//scheep gebragt, om na Holland gevoert, en aldaar te 
//Purmerende , op desselfs eige instantie begraven te worden ; 
//als Secretaris ben ik aan de deur van den Heer praeside- 
// rende Burgemeester geweest om de dood aan te zeggen , 
//en hoewel men mij als soon mogelijk daarmeede sou ver- 
// schoont hebben , wilde ik het mij echter naderhand niet 
//selfs reprocheren het allerminste aan mijn pligt te hebben 
//geomitteert. 

//Ik heb ook een brief van notificatie aan den Raad van 
ffBreemen en aan die van Lubeh opgesonden, hebbende 
//hiertoe wel nog geen expresse ordre ontfangen, imploreere 
//ik egter hierop U Hoog Mogende gunstige approbatie enz. 

//Waarmede enz. 

//Hamburg, den 29 Maart 1768. 

"{gei) C. J. J. BoERHAVEx, 
//Y. Mauricius. 



Digitized by 



Googk 



135 



//In de Nederl. Jaarboeken^ A". 1768, deel I , blz. 384, 
vleest men nog het volgende: 

//Den 11*" April 1768 werdt te Purmerend in stilte in 
//een grafkelder bijgezet het lijk van den Heer Mr. Jan 
//Jacob Mauetcius, Pensionaris-honorair van deze stad, 
//Oad-Gk)Uvemeur-Generaal van Suriname, en Minister van 
//dezen Staat bij den Neder-Saxischen Kreits , den 21®" van 
//lentemaand dezes jaars te Hamburg, in het 76^ jaar zijns 
//ouderdoms overleden; een Heer, wiens verlies van wege 
//zijne goede hoedanigheden, buiten gemeene begaafdheden 
//en bijzondere kundigheden , betreurd wordt.// 

Zoo als dan ook nog hieruit blijkt, werd op zijne 
uitdrukkelijke begeerte zijn lijk gebalsemd en in eene 
looden kist met een daartoe gehuurd jagt naar Purmerend 
overgebragt. Het werd daar in de Doelen eenige dagen 
tentoongesteld en met plegtigheid in het familiegraf, nevens 
de lijken zijner ouders bijgezet. *) 

Bii Resolutie der Staten-Generaal van den ö''" April 1768 , 
werden de kosten van het vervoer van het lijk van Hamburg 
naar. Purmerend aan zijne weduwe terug betaald. 



') Zie TAN Sanowijk, Kromjkmatige geschiedenis vau Purmerende , 
blz. 71, 72 en 169. De grafkelder van Mauricius bevond zich in het 
koor der Hervormde Kerk te Formerend en is opengemaakt, toen deze 
Kerk afgebroken is , doch daarin zijn toen gecne overblijfselen van lijken 
gevonden. De kelder was gedekt met eenen wit marmeren steen , 
waarop de namen en titels en de datum van overlijden van Mauricius 
waren uitgehouwen. De rand van hardsteen, rondom dezen steen aan- 
gebragt, was sedert lang gebroken en weggeruimd. 

Van den genoemden wit marmeren steen zijn later twee platen ge- 
zaagd , die thans in een' der kerkmuren ingemetseld , de namen bevatten, 
de eene van den Predikant en van de Kerkvoogden , onder wier bestour 
de kerk is herbouwd, en de andere den datum, den text van de 
inwijdingsrede en den naam van den Predikant door wien die is gehouden. 



Digitized by 



Googk 



\u 



Aldus eindigde de levensloop van Mr. Jan *) Jacof 
Matjricius , den werkzamen en kundigen man , die gedurende 
zoovele jaren den Staat met onbezweken trouw in vele gewigtige 
betrekkingen had gediend , gedurende negen jaren het slagt- 
offer was geweest van haat en partijwoede , die een ijverig 
beoefenaar was der dichtkunst en der letteren , en die over 
zich zelf op hooge jaren het volgend oordeel uitsprak: 

jf*K heb vier-en-zestig jaar op 'saardrijks rond versleten , 
//Mijn naam rolt op de tong van staatsliên en poëten, 
//Elk kent Matjricius ; maar dat mij 't meest verdriet , 
//Na vier-en-zestig jaar ken ik mij zelv' nog niet.// *) 



^) Ofschoon w\j zijDe vooraameii menigmaal vinden aangegeven als 
JoAN of JoHANNBS en Jacobüs hebben wij de spelling van Jan Jacob 
behouden , welke door hem zelven in zijne jeugd is aangenomen. 

s) Het portret van Maürioius vdór den titel van dit werk geplaatst, is 
genomen naar dat hetwelk voorkomt onder N^. 3499 op de beschrijvende 
Catalogus van Frederik Muller , door P. Tanjé naar eene schildery 
van A. ScHOüMAN. In eene noot op biz. 122 van zijne Dichtltevende 
tdtspanmngen, deelt Mauricius ons mede dat de beroemde schilder 
QuiNKHART in 1736 een afbeeldsel van hem maakte in het Pan-Poè'ticon 
van den Heer Micbiel de Roode op verzoek en op kosten van dezen , 
waarbij de dichter A. db Haan de Jonge het volgende bijschrift ver- 
vaardigde : 

Dus praalt Mauricius in ^t Pan-Poëticon ; 

Dien wij een voedsterzoon van Pallas moogen noemen; 

Wiens jeugd reeds vruchten droeg , zoo ras haar bloei begon , 

Waar op ApoUo's choor en Themis hofzaal roemen. 

Dit is hij, die aan de Elve ons staatsbelang bewaakt, 

Terwijl zijn schrander brein zijn naam onsterflijk maakt 

Bij het portret van Mauricius door Tanjé werd o. a. het volgend 
vers vervaardigd door Anna Frederica Burohart de Lange: 
Verstand, aanminnigheid, gepaard met zuivVe deugd ^ 
Straalt uit het deftig oog van Jacobs edel weezen; 
De gaaven van zijn geest in ouderdom en jeugd , 
Zijn met oprechte trouw , in deze blaan te leezen. 

Zie t. rt. p. blz. 367 en 398. 



Digitized by 



Googk 



137 

In 1762 , dus zes jaren voor zijnen dood schreef hij het 
volgende over de door hem afgelegde loopbaan: 

//Het is dus reeds 43 jaaren, dat ik de eere heb Pen- 
//sionaris van Purmerend *) te zijn. T* is aanmerkelijk 
//(schoon een triste beneficium) dat ik tegenwoordig in 
//Staaten dienst ben de oudste Pensionaris , de oudste Mi- 
nnister luiten *s lands , en daarbij de oudste Kolonel; want 
/rin 1741 ben ik bij 't Gouvemeursampt van Suriname ook 
^Kolonel geworden. Gedurende mijn Grouvemement zijn 
//onder mijn bestier expeditien gedaan die groote krijgs- 
^helden sedert niet hebben kunnen navolgen , doch ik ben 
V Kolonel gebleven. // *) 



Wij hebben in bijlage I eene lijst gegeven van de titels 
zijner geschriften, gedeeltelijk uit dicht- en gedeeltelijk uit 
prozawerken bestaande. *) Zijne dichtwerken worden door 



*) Na het afdrukken der eerste yellen yau dit werk zijn ons o. a. nog 
de Tolgende mededeelingen gedaan omtrent het verblijf van Maüricius 
te Purmerend. 

Den 20«» Julij 1719 werd hij benoemd tot Gecommitteerde ter 
Vergadering der Staten van HoUand en Westvriesland tot den 21«n 
Mei 1721. 

Den lOen September van datzelfde jaar werd hij benoemd en beëedigd 
tot Pensionaris van Purmerend. 

Den 25«i^ April 1724 werd hij benoemd tot Schepen en den 25«n 
April 1725 tot President-Schepen van die stad. 

Maüricius bewoonde een huis op de Vijverbuurt te Purmerend , dat 
in 1836 door de Stedelijke Regering van die plaats is aangekocht, 
(zie V. Sandwijk, blz. 169, noot.) 

') Zie het Besluit der Dichtlievende uitspanningen, blz. 112 (noot). 

') Maübiciüs was ook lid der in 1766 opgerigte Maatschappij der 
Nederlandsche letterkunde te Leiden, zoo als blijkt uit de opgaven 
op blz. 10 van de Naamlijst der afgestorvene leden van die Maat- 
schappij, in het jaar 1852 in het licht gegeven door haren Secretaris 

Mr. J. F. BODBL NiJENHDIS. 



Digitized by 



Googk 



138 



den Heer Jeronimo de Vries, in het III* deel van zijne 
Proeve eerder geêcAiedeniê der Nederduitsche dicMhinde , 
aldus beoordeeld : 

y/ Als dichter , zoover mij toeschijnt, is hij meer stichtelijk 
//en welmeenend, dan stout en krachtig.// 

Zijne prozawerken, inzonderheid zijne Onledigen ouder- 
dom en het lijvige Recueil^ leveren ruimschoots de gelegen- 
heid op, om zijnen krachtigen, kernachtigen , eigenaardigen 
en bondigen stijl, waarvan wij hier eenige proeven hebben 
gegeven , te bewonderen. 

Ten slotte zullen wij hier nog doen volgen hetgeen de 
Heer P. G. Witsen Geijsbeek, in zijn Biograj^hisch , 
Anthologisch en Critisch Woordenboek der Nederduitsche 
dichters^ IV* deel, blz. 368, over Mauricius zegt. 

//Mauricius was ongetwijfeld een zeer oordeelkundig en 
//geleerd man , ervaren in verscheiden wetenschappen en 
//talen. Men zou hem den Hollandschen Ménage kunnen 
//noemen, als zijnde best met dien Pranschen schrijver te 
//vergelijken. Alvorens zijne dichterlijke verdiensten te waar- 
//deren is het billijk, en zelfs noodig, eerst zijn Vaarwel 
ff aan den Zangher g te lezen , waarin hij zelf naïf verklaart 
//dat hij //nooit een hardlooper in de poëzy// geweest is, 
//en zich //nooit gerekend heeffc onder het getal der poëten.// ') 
//In goeden gemoede kunnen wij dit zeker ook wel niet 
//doen; zijne gedichten zijn inderdaad zeer middelmatig, 
//koud en zonder ziel of leven, en toch hebben zij iets, dat 
//de critiek ontwapent; wat hij in verzen zeggen wil, en 
//blijkbaar niet zeggen kan of onvolkomen zegt , zegt hij 
//in geleerde aanteekeningen in proza zeer goed , en met 
//zeer veel oordeel. Zijn vroegste en uitgebreidste dichtstuk 
/'is de Kruishistorie van den Lijdenden Heiland ^ in 1714 

» ) J. .J. Mauricius , Onledige ouderdom , !• deel , blz. 29. 



Digitized by 



Googk 



139 



//te Amsterdam gedrukt ; dit gedicht is meer historisch en 

//stichtelijk dan stout en krachtig, levendig en gevoelig 

//Zijne overige dichtstukken , het Gezang op zee uitgezon- 
//derd, zijn van kleinen omvang, en meest zoogenaamde 
//concetti, invallen en gelegenheidsstukjes. In allen heerscht 
//eene zekere nette stijfheid, even als in de kleeding der 
//deftige burgerlieden van zijnen tijd; en hoe kon de geleerde 
//Mauricius ook los en bevallig dichten ? — 

//Deze nette en stijve gedichten gaf hij met geleerde aan- 
//teekeningen in het licht te Amsterdam in 1753, onder 
//den titel van Bichtlievende uitspanningen; in 1762 liet 
//hij een Besluit daarop volgen, en in 1765 gaf hij zijn' 
tf Onledigen ouderdom in twee deelen in het licht. Dit werk 
//behelst een' schat van taalgeleerdheid , en vele juiste , 
//gezonde en scherpzinnige oordeelkundige aanmerkingen , 
//aangaande het gebruik en de overneming van vreemde 
//woorden in onze taal. Men vindt hier inderdaad veel 
//lezens- en wetens waardigs. // 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



BIJLAGEN. 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



Lijst van de geschriften , door Mr. J. J. MAURICIUS 
in het licht gegeven. 



Lauwerkrans voor de helden bij den slag van Hochstedt^ 
(1704). 



Dissertatio Philologica de Gallorum-Germanorumque origine^ 
quam hene volente Deo , suh praesidio vir. cl. D. Jacobi 
Perizonii, Af, Historiarum ^ Eloquentiae et Graecae 
linguae ut et Historiae Batavae Professoris^ puhlice 
defendendam Suscipit Joannes Jacobus Maueitius 
Amst. Bat. auctor. Die Satumi proximo, qui erit a, d. 16 
kalendas Aprilis, ante meridiem. Hora locoque Solitis. 
Lugd: Bat: apud Abr. Elzevier. (1708) (L.) »). 



Sesostrisy Koning van Egypte, een treurspel, te Amster- 
dam, bij Hendrik van de Gaete. (1712) (L.). — Dit 
treurspel werd onder dagteekening van den 10*"* De- 
cember 1711, aan Mr. P. A. de Hüijbert, Heer van 
Krxjiningen, opgedragen. 



Het Leidsche Studentenleven , een kluchtig blijspel , te 
Amsterdam, bij Hendrik van de Gaete. (1717) (L.). — 



*) De biJYoegingen (L.) en (K. B.) tonen aan, dat dit werk zich 
bevindt in de boekerij der Maatschappij van Nederlandsche letterkunde 
te Leijden of in de Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage. 



Digitized by 



Googk 



144 



Ook dit blijspel werd, onder dagteekening van den l*"" 
Januarij 1717, aan genoemden Heer van Kruiningen 
opgedragen. 



NB. Van deze beide tooneelspelen , door Maueicius ge- 
schreven onder de spreuk: Per Haec ad altioray bestaan 
herdrukken van de jaren 1734 en 1735. (L.) 



Eene vertaling van het 4^" bedrijf van Zaïda, werd in 
1712 te Amsterdam bij H. van de Gaete gedrukt en 
later uitgegeven gezamenlijk met de volgende kleine dicht- 
stukken : Europa , verhoikt op H gezicht der vrede , H Cam- 
pement en de Promotie van den ingeheelden zieken^ alle 
drie tooneelspelen. (L.). — Het laatste, naar Molière, werd 
herdrukt te Amsterdam, bij Izaak Duim, in 1742. 



Pimpinon^ kluchtig zangspel, (herdrukt bij Izaak Duim, 
in 1745), en J)e Vreugde ^ een voorspel, (herdrukt te 
'sGravenhage, bij J. de Ceos, in 1754). (L.) 

Be Kruishistorie van den lijdenden Heiland^ verdeelt in 
XXVI gedichten^ met eeri zegezang^ gedrukt te Amster- 
dam, bij de Wed. 8. Schouten en Zoon en Gerret de 
Groot. 1714. In een deel Oct^, 64 blz. met titelplaat. «) (K.B.) 
Van dit werk, opgedragen aan den Heer Franciscus 
IPabricius , Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Jjeiden , 

') In de Catalogus van de letterkundige nalatenschap van den Heer 
J. VAN Leeuwen ; komt nog voor, buiten een compleet exemplaar van 
alle werken van J. J. Mauriciüs in 8 deelen, het volgende werk van 
dien schrijver, dat ons overigens niet was bekend : „N°. 1008. J. J. Maü- 
„Ricius. 1. jDe Amsterdamsche Helikon f keerdicht. — 2. De Zangherg 
^^gezuivert , Muizenzang , *8 Hage ,1716. — 3. Kort ben'gt wegens de historie 
^^van zekeren Isaak Saxel. — 4. Remonstrantie aan den Raad der stad 
^^Nijmegeu door de Joodeu, enz." Amst. 1716, in één fr. band. 



Digitized by 



Googk 



145 

kwam een tweede en derde druk, bij dezelfde uitgevers, 
in het licht; de laatste in 1752. 

Rechtsgeleerde maandelijkse uitspanningen^ over H geoor- 
loofde^ in tegenstelling van H hetaamelijke en oirbaare^ 
te Amsterdam, bij Gekard ondek de Lcnden. (K. B.). — 



Het 1« deel van dit maandschrift, uitgegeven in 17£ïi, 
is opgedragen aan Burgemeester en Schepenen der stad 
Purmerend. 

Het 2* deel, uitgegeven in 1725, is opgedragen aan 
Mr. Is AAK VAN Hoornbeek, Raadpensionaris van Holland. 



Over de uitzigten van Frankrijk op de Nederlanden, tot 
den koop van Duinkerken in 1662, geschreven in 1724 
op last van den Raadpensionaris van Hoornbeek, doch- 
niet in druk verschenen. 



Receuil van Noordsche Zaken; zijnde eene verzameling 
van belangrijke memorien, door Mr. J. J. Mauricius, 
gedurende zijn verblijf te Hamburg, en wel in de jaren 
1785 — 1742 gesteld. Dit Receuil is wel in druk ver- 
schenen, doch nooit in den handel gekomen. De titels 
van de daarin voorkomende Staatsstukken met de jaren 
van uitgave zijn: 

Naleezingen over H strandreckt op de Ulve. (1729) 
M over de kompagnie van Altona. (1729) 

// over de Deensche en Stettijnsche kompag- 

nien. (1729) 
// over de Zweedsche kompagnie. (1731) 

// over de Engelsche kompagnie te Haarburg. 

(1736) 

10 



Digitized by 



Googk 



146 

Naleezingen over het plan van dettr Keurvorst van Bran- 
denburg ter oprichting eener O, I. kompagnie, (1786) 
Over de vaart der Spanjaarden naar Oost-Indien, (17»32) 
Over den ouden vaart op de Noordzee^ bijzonderliji op 
IJsland en naar Groenland, (1740 — 1741) 



BichtUevende Uitspanningen^ te Amsterdam, bij de Wed. 
J. Schouten en Zoon en G. de Geoot, 1753. 8*. 
266 blz. met eene titelplaat en het portret van Mr. »T. J. 
Mauricius. (L.) (K. B.). — Dit werk is opgedragen aan 
den meergenoemden Heer van Kkuiningen. 



Vervolg der BichtUevende uitspanningen^ door Mr. J. J. 
Mauricius , met eenige mengeldichten van den Heer van 
Kruiningen, te Amsterdam, bij dezelfde uitgevers. 1754. 
8®. 150 blz. (K. B.). — Dit werk is opgedragen aan Vin- 
cent WiL7.EM, Grave van Hompesch , Heer van Gen- 
deren enz., Luitenant-generaal der Kavallerie. 



Beduit der BichtUevende uitspanningen van Mr. J. J. 
Mauricius, met verscheiden bijvoegselen^ te Amsterdam, 
bij dezelfde uitgevers. 1762. 8°. 286 blz., met eene 
titelplaat. (K. B.). — Achter dit werk, dat opgedragen 
is aan Z. D. H. Prins Willem V, worden in een aan- 
hangsel drie merkwaardige redevoeringen van Mr. J. J. 
Mauricius medegedeeld, als: 

1'. Eene in 1726 uitgesproken bij het vertrek naar Ham- 
burg, tot afscheid aan de HH. Burgemeesteren en 
Raden der stad Purmerend. 
2*. Eene aanspraak in de vergadering der HH. Direc- 
teuren der Sociëteit vau Suriname, bij het neder- 



Digitized by 



Googk 



147 



leggen van het ambt als Gouverneur-generaal der 
kolonie, op den 1*"* Augustus 1753. ^) 
Eene aanspraak , gedaan in de vergadering der HHM. 
Staten-Generaal , bij zijn tweede vertrek naar Ham- 
burg in 1756. 



Onledige ouderdom van Mr. Joan Jacob van Mauriciüs ») , 
behelzende taallievende en historische uitspanningen over 
't gebruik en ovemeeming van vreemde woorden, bij 
welke gelegenheid de krijgsroem onzer voorvaderen ver- 
dedigd wordt tegen de zwetserijen der Romeinen , hetgeen 
vooraf wordt gegaan door // H Vaarwel aan den Zangberg // , 
te Amsterdam, bij C. de Groot ek Zoon en Petrus 
Schouten, Boekverkoopers. 2 Deelen in octavo. (L.). — 
Het 1" deel, opgedragen aan Mr. Fran^ois IPagel, 
tweede Griffier der Algemeene Staten, werd uitgegeven 
in 1765; het %' in 1766. 

Eindelijk moet nog onder de werken van den Gouverneur 
Mauriciüs worden genoemd de uitgave zijner procedure, 
want ofschoon ook daarin vele stukken voorkomen, die niet 
door hem zijn gesteld, maakt toch zijne ingeleverde ver- 
antwoording daarvan een hoofddeel uit.. — • Dit werk komt 
voor onder den titel: 

Recueil van egte stukken en bewijzen^ door Salomon du 
Plessis , geweeze Raad van policie en crimineele jus- 
titie in de colonie van Suriname en door andere; tegens 
Mr. Jan Jacob Mauriciüs, Gouverneur- Generaal over 
de colonie van Suriname Rivieren en Districten van 



• *) Deze aanspraak is op blz. 120—126 in zijn geheel door ons 
medegedeeld. 

*) Dit is het eenige werk waarin hy zich van Mauriciüs noemt. 



Digitized by 



Googk 



148 



dien^ Collonel over de militie aldaar^ eée, etc. etc.^ als- 
meede door ' de Sociëteit van Suriname én denzelven 
Gouverneur Mauriciüs tegens den gemelde du Pj.essis 
en andere^ van tijd tot tijd^ zoo ter vergaderinge van 
HHM, de Heer en Staten-Generaal^ als van de Sociëteit 
van Suriname ingedient en overgelevert met en beneffens 
de Resolutien van HH, Mogende en van de Sociëteit 
daartoe betrekkelijk. Amsterdam bij de Wed. S. Schouten 
EN Zoon. 1752. 5 Deelen. In folio. (K. B.). 



Digitized by 



Googk 



BlJniA&K 11. 

Lijst der geschriften, in het licht gegeven door 

JOHANNES MATTBICIUS <) , den vader van 

Mr. J. J. MAUBICIUS. 



De anatomie van den barvoeter-monnike-alcoran ; te Am- 
sterdam, bij Arnoldus van Eavestein. (1695). (L.) — 
Dit werk is, onder dagteekening van den %4^'^ Februari] 
1695, opgedragen aan de Ouderlingen der Hervormde 
Gemeente te Amsterdam. 



Getuigenis der waarheid of eene zedige aanspraak van 
JoHANNEs MAUEiTins aan alle Roomsch-Katholijken, 
NB. In dit werk worden de redenen ontvouwd, die hem 

tot de Hervormde godsdienst hebben doen overgaan. 

Het Heilige jaar. 



Ben onnaspeurlijien rijkdom van Cïm^wj. Amsterdam. (1704). 



Getvigtige redenen om zig niet te hegeven in den huwelijken 
staat met Roomschgesinden, Amsterdam. (1708). 

De afgodendienst der Jezuiten in China ^ doori, Mauritius, 
te Amsterdam, bij J. Borstiüs* (1711). (L.). 



Korte verhandeling van het Recht en Gebruik der Graven 
en iegraaffenissen y so der aloude ^ als hedendaagsche 
volkeren, door Johan Mauritius; te Amsterdam, bij 
R. en G. Wetstein. (1714). — Dit werk is opgedragen 
aan de Staten van Holland en West- Vriesland. 



') Ofschoon ons geene andere geschriften van hem met name bekend 
%ijn, schijnt hij evenwel meer kleine werkjes te hebben nitgegeven. Hij 
schrijft zich in de titels steeds Mauritiu^i. 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



BUriiAeK IH. 

Iets over de Weduwe van den Grouverneur-Q-eneraal 
J. A. H. DE CHEUSSES. 



Caïharina Eleonora Temmïng y eenige dochter van den 
Gouverneur Hendrik Temming en van zijne eerste vrouw 
Machteld van Wouw, was in 1722 met Jiareu vader iu 
Suriname gekomen, doch na diens tweede huwelijk naar 
Nederland teruggekeerd, waar zij in 1734 huwde met den 
Kapitein der Infanterie Jacob Alexander Henri de 
Cheusses, die na den dood van zijnen broeder, in diens 
plaats , tot Gouverneur-Generaal van Suriname werd benoemd. 

Hij kwam daar met zijne vrouw den 11*"' December 1734., 
met het schip de Jufvrouw Zucretia^ Kapitein Gerriï 
Klinkert ') aan, en nam den 14®" van die maand het 
bestuur over. Na eene ziekte van acht dagen overleed hij 
reeds den 25*'" Pebruarij 1735, zoo als blijkt uit den hiei:- 
onder volgenden brief, ons welwillend medegedeeld doqr 
den Heer van Dam van Brakel. 



//lie malheur qui n'a jamais quitéz mes pas me poursuit 
//aprésent jusques la demière extrémitez, puisquil a plut 
//au bon Dieu de m'oter dans la fleur de son age mon tres 
//cher et tres dingne epoux Jacob Alexandre Henry de 



*) Met hem kwam in Suriname als zijn' lijfarts Isaac Eliezer Auoar, 
„niet aHeen doctor maar zejfs botanist ," op een jaargeld van ƒ 500 ch 
ƒ 300 gratificatie voor uitrusting. 



Digitized by 



Googk 



15£ 



//Cheiisses, Ie 25 de janvier après avoire eu la disanterie 
//pandant huit jours, il est aisement h juger dans quel 
//état je suis reduit, jeune sans expérianse, je me trouve 
//tout d'un coup privez pour jamais de tous ce que j'avois 
//de plus cher au monde, je pert un epoux qui foisoit Ie 
//bonheur de ma vie, et qui na regretez la vie que parce- 
//quil devais me quiter pour j'amais. Quelle cruelle separa- 
//tion Saingneur est-il possible quil faut que je soit née 
//que pour n'avoire que les plus vive chagrins du monde, 
//je perd tous a la fois, et de plus je suis grosse de plus 
//de quatre mois, aiez pitiéz de mon état Monsieur, et ne 
//m'abandonnez pas dans mon malheur, je connait trop votre 
//bon coeur pour n'auser me flater que vous ne me refu- 
//serai pas de me donner des bons consaille, les grande 
//depense que nous avons été obligé de faire pour notre 
//depart, a presques mange tous Targent contants que mon 
//mari et moi avons eu, il ni a que dis mille florains que 
//mon mari a mis entre les mains de Monsieur de Somels- 
//DYK ^) , que je lui ai priez de garder encor quelque temps 
i^sur les meme conditions quil Tavait pris de mon mari, 
//ce que j'aurais k resevoire ches Messieurs de la Societé 
//du tractement de mon cher Epoux sera peu de schose, 
//Ie partage avec ma belle soeur *) n'est pas encor fait , je 
//ne puis pas Ie faire h présent, car puisque mon mari 
//vous a schoisi avec Monsieur Beelaerts pour tuteurs de 
//renfans, je ne puis rieu entreprendre , je vous envoie la 
//copie du testament et de la codicille , vous aurais la 



*) FBAK901S CoRNELis VAN Aerssen , oudste zoon van haren vollen 
neef FRAN901S, die in 1740 overleed, en zwager van den Baron Piek 
VAN SoELEN. Hij Stierf kinderloos en was de laatste afstammeling der 
tak van het geslacht van Aerbsbn , als Heeren van Sommelsdijck bekend. 

*) ^^Ma belle soeur'* was de meergenoemde vetufa heata, wedowe, 
.toen van den Gonverncur, db Cheusses. Zij was, zoo als later zal 
blijken y eveneens in het Gouvernementshuis blijven wonon. 



Digitized by 



Googk 



158 

//bontéz j'espère Monsieur de parier ensemble et de m'ecrire 
//ce que vous trouverai bons que je fasse car je me rapor- 
//terais toujours ^ vos bons consaille, si je faisoit Ie par- 
//tage avec ma belle soeur, du plantage (Berg-en-Daal) je 
//doit avoir 40 nègres pour mon compte, si par exemple 
//vous étais d'avis qu'on les vendit et que je retournasse 
//en Europe (mon mari ma consaillez de Ie faire) il faut 
//savoire premierement que les nègres contez Tun avec lautre 
//ne vaudrons que trois cents florins la piese, ce qui ne 
//fera que douse mille francs //(florins?)// de la terre on 
//n'en tirera presque rien , et pour Ie batimens n'on plus, 
//mais suposons que cela pouroit aller h quatre mille florains , 
//cela tous ensemble et avec ce qui est en hollandde ne 
//ferai que vint et sis mille livres //(florins?)// c'est peut 
//de scliose pour vivre et entretenire un enfant, qu'oi que 
//mon intantion serai d'aller passer mes jours avec mon cher 
//Pere ^) a Zelle, mon mari me Ta bien recomandéz Ie 
//matin du meme jours quil mourut la nuit entre douse et 
//un heur^ ce matin il prit congé de moi de la maniere 
//la plus tendre me consolent et me defandant meme de 
//pleurer en sa presence, me disant que si j'alloit en Alle- 
//mangne qu'il etoit assuré que je trouverai un Pere qui ne 
//m'abandonnerai pas mais qui me reseverai avec plaisier 
^comme étant la pauvre veuve d'un fils qui lui a étéz tou- 
//jours cliers , il a priez a ma soeur *) ausi d'agire schari- 
//tablement avec moi, ce quelle lui a prorais. Dleu veuille 
ffqyüelle tienne sa 'promesse ^ jttsques a présent elle me 
f/ traite avec doioceur mais ce liest que commencement , je 
f/ne lui ay pas pourtans jamais donnez de raiso7ts d'agir 
nautf&ment avec moi. j'ai priez a notre Sécrétaire Monsieur 



*) Haar schoonvader de Luitenant- Generaal de Cheüsseb. 
») Mevrouw Audra of liever de Cheusses. 

Digitized by 



Googk 



154 



//VAN Meel de vouloire écrire a son frère *) d'avoire la 
//bontéz de demander è. celui qui sera schoisi pour Gou- 
//verneur, une pièse de terains que defunt mon mari avoit 
//promis a un Monsieur van dek Linde consaillé de jus- 
//tice •) ici; c'est une fort bonne terre, et si je pouvoit 
//l^obtenire ce sera toujours bon que je commencoit un 
//caffé plantage ou non car si je Ie vendoit j'en tirerai 
//toujours 5 h 6 mille frans, ce sera toujours quelque 
//schose, il sera plus proiStable de commencer un plantage 
//ayant les 40 negres par avance; mais il faut plus que 
//cela, il faut avoire mille et mille schose sur un nouvau 
/'plantage et je ne serai jamais d'avis d'y emploier Ie peu 
//d'argent que j'ai en HoUande, que je crois serai plus 
//profitable de mettre en Engleterre et de faire montez Ie 
/'interets , j'atans vortre avis la desus avec la premiere ocasion. 
// Aureste je fairai faire un invantaire de tout les meubles , 
//et les habit de mon mari , mais pour les meubles je ta- 
//schérai de les vendre ici , ce qui yra asse bien car ils sont 
//neuf , quoique je n'en tirerai jamais ce quil mon coutez 
//enhollandejesuis en attendant chez ma soeur// (M^. Axjdra) 
//et tacherai d'acorder avec elle combien je lui donnerai pour 
//un an de logis, ou pour mieux dire cette annez ne sera 
//que pour Ie mangés , car nous saumes dans Ie gouvernè- 
nment jusques a tam quHl vient un gouverneur et cela ne 
//lui coute rien^ je tdscherai de menager au tans qu'il me 
//sera possible , si longtemps que Ie partage avec elle n'est 
//pas encor fait les deux mille francs argent d*ici , pour Ie 
//louage de ma moitié,*) coure toujours et ei j'avais sept 

*) Mr. JoAN HuBERT VAN Mebl , scdcrt 1726 Secretaris der Socië- 
teit van Suriname te Amsterdam , was de broeder van Mr. Willem 
Gerard van Meel , in 1 734 Secretaris , later Fiskaal in Suriname. 

») CoRNELis VAN DER LiNDEN, Raad van civiele justitie in Februarij 
1733; de grond heette Imoiapi. 

s) De helft van de plantage Bergendaal , behoorende aan de erven 
van haren vader, de Gouverneur Temmikg. 



Digitized by 



Googk 



15£ 



//OU huit mille florains pour commacer uii plantage sans 
A'diminuer les dix mille francs dont j'ai fait mention si de 
//sus , et avec les negres ce sera assez jolie , s^il plaisoit & 
//Dieu de benire mon entreprise, car tous ce que j'ai 
//entamez j'usques a present m'a toujours reeussi de plus 
//mal en plus mal, et si Ie bon Dieu conservoit les peuts 
//de bons amis que j'ai ici je ne menquerai pas d'etre assistez 
ivpar eux , mais aujourd'hui ils sont en vie et demain il sont 
//mort , vous voiez Monsieur que je vous parle librement de 
//mon état je vous prie èncor pour Tamour de Dieu ne 
//m'abandonez pas ; je prens la iibertez de vous priez d'avoir 
//la bontez de donner notification de mon malheur k tous les 
//parents de mon mari , de ma part et en mon nom , car 
//premièrement je suis hors d'état de pouvoire ecrire tans 
//des lettres car je suis acablez de tristesse et de chagrin, 
/^et en seconde lieu je ne puis pas trouver la liste des lettres 
//que nous avons écrit quand nous nous sommes mariés, 
//j'ai priez k mon cousin Teming ^) Fainé de faire la même 
//schose au parents de mon cautez , et je lui ay priez d'aller 
//chez vous, pour avoire Fhonneur de parier avec vous de 
//la maniere que vous Ie trouverai bon que cela ce fit enfin 
//de tascher de prévenire les abeus autans qu'il sera pos- 
//sible , et que les euns se fisce comme les autre , excuse 
//Monsieur la liebertez que je pren , mais je ne sait h qui 
//m'adresser , et dans cette ocasion ausi bien que dans la 
//suite je n'aurai recours qu'au bons conseille des parants 
//de mon mari, j'ai ecrit k Yingnon Forfaivre k laHajede 
//ne me pas envoyer 1'argenterie que mon mari lui avoit 



*) Waarschgnlijk Jacob Temmink Adruansz». , koopman te Amster- 
dam. Zie Recueil , IV , blz. 3. 

Het verschil in de spelling van den naam Tbmmikg , Temmink of 
Temminck wordt opgehelderd door eene familie- aan teekening. „De Gou- 
„verneur Tbmmikck veranderde dien naam in Tbmming. " 



Digitized by 



Googk 



156 

//demandez, j'ai fait de meme k Mr. Benelle ^Amsterdam 
//notre correspondant , et lui ay priez de ne m'envoier ab- 
//solument rien de tous ce qui a étëz demandez , et de m^envoier 
//un compte juste de l'argent qtdl a h, moi, je ne suis point 
//de touts informez de tous les aflFaires ausi je n'en ay pas 
//eut Ie temps a paine nous nous connoisions , et commansoit 
//de gouter lé plaisier d'un veritable amour resiproque, que 
//Ie bon Dieu nous sépare pour jamais, plut k Dieu que je 
//pouvoit Ie suivre et finire ma malheureuse carière, avecla 
//meme assurence de la vie ëternelle , qu'il a eftt , il a parlez 
//avec tant de force a tous ceux qui ont étéz aupres de lui 
//qu'il a meme rendu les ministre comme muet et inmobille, 
//qu'elle satisfaction encor pour moi dans tous mes maleur 
//que je puise être comme assuré quil jouit presentcment 
//d'un bien et salut eternelle laquelle ne peut être troublé 
//par qui que ce soit, Ie Saingneur Ta trop aimé pour Ie 
//faire souffrire plus longtemps dans ce monde, si nous 
//saumes separez pour quelque temps ici bas j'espère et prie 
//Dieu qu'il nous reunirai un jours dans son saint paradix , 
//il faut que j'atends avec patience Ie temps qui lui plaira 
//de m'y appeler , et souffrire crétienement tous les maux quil 
//lui plait de m'envoier. 

//Je vous prie de donner notification a tout votre familie 
//et prie Dieu quil veuUe vous conserver longues année 
//avec Madame votre chere epouse , en parfaite santéz , je 
//vous prie de l'assuré de mes respect comme ausi Madame 
//votre Mère. Je liui celle-ci Monsieur implorant encore 
//votre bontéz, et vous prie d'etre persuadez que je serai 
//toute ma vie avec Ie plus profond respect 
ff Monsieur , 

//Paramaribo , // Volre tres humble tres obéissante 

//Ie 5 Fevrier 1735. ff et tres aflig é servante 

ffC E. Temming veuve de Cheusses." 



Digitized by 



Googk 



157 



Deze verstandige en gevoelvolle brief was gerigt aan den 
vroeger genoemden Baron Piek van Soelen , die gehuwd 
was met Elizabeth Johanna van Aerssen , volle nicht 
van DE Cheusses. 

Uit dien brief blijkt o. a. ook dat zij volstrekt niet 
rekende op eene vriendschappelijke bejegening van Mevrouw 
AuDBA , *) hare schoonzuster en stiefmoeder , die nog wel 
door beider schoonvader de Generaal de Cheusses was aan- 
gemaand om haar goed te behandelen. Zij vertrok den 
20^ Julij 1737 naar Nederland met hare dochter, aan 
boord van het schip Catharina Cornelia , Kapitein Cornetjs 
Sloï. Zij vestigde zich te Zeil bij haren schoonvader de 
Cheusses, en hertrouwde later met Joachim Baron von 
Düben , uit welk huwelijk nog zeven kinderen werden 
geboren. 

Uit haar eerste huwelijk was , vijf maanden na den dood 
van haren eersten echtgenoot, de bovengenoemde dochter 
geboren, die zij naar hem Jacomina Alexandrina Hen- 
RIETTE had genoemd en waarover de Heeren Piek en 
Beelaerts de voogdij aanvaardden tot dat zij later te Zeil, 
met Jean , Graaf van Sparre , huwde. 

Uit eenen brief van den Heer Chambrier aan den Heer 
Piek van Soelen blijkt , dat Mevrouw von Düben (zij 
was toen reeds hertrouwd) 1500 akkers grond van de 
plantage Bergendaal voor den tijd van 15 jaren had ver- 



^) De hand van Mevrouw de Cheusses en van hare schoonzuster en 
stiefmoeder, Mevrouw Audra gelijken volmaakt op elkander. Dit heeft 
de gedachte doen ontstaan , of het niet mogelijk zou zijn dat Mejufvronw 
VAM DER LiTH als Gouvcmante van zijne dochter (later Mevrouw de 
Chsüsbes) met den Gouverneur Temmiko naar Sariname vertrokken en 
later met deze gehuwd .is. Men kan hare tegenwoordigheid in de kolonie 
niet wel anders verklaren. 



Digitized by 



Googk 



158 



huurd aan eenen zekeren Heer Desagui.ié , >) dat hare dochter 
en die van Mevrouw Audra (later Mevrouw öe Lindau) , 
elk 500 akkers van die plantage bezaten , en dat Mevrouw 
Atjdra met die schikking niet tevreden was. 

// J'en ai parlé // zegt Chambriitr f/h. Madame Audera qui 
//m'a dit que Mad' Dübe ne devait avoir que 1000 acres 
//au lieu de 1500. Le Warand porte selon elle Madame 
//Dübe 1000 acres et les demoiselles de Cheusses 1000 
//acres.// 

Eene nog vöorhaiidene rekening van het aan de weduwe 
van den Gouverneur J. A. H. de Cheusses toekomende, 
naar men vermeent van de hand van den Secretaris der 
Sociëteit van Meet. , luidt aldus : 

//l October a. d^K'. Jacob Alex". de Cheusses ver- 
//strekt ' /2000. 

//De voorige H'. Gouv'. is alleenlijk betaelt tot de 
//dag S. Ed. overlijden dog bevinde dat den Gouv'. 
//Temmink op expres-ordre 28 dagen na S. Ed. over- 
//lijden meerder betaelt is, sijnde die daagen die aan 
//'t vierendeel jaers ontbraaken. 



//Van 16 Oct' tot 25 Jan^ Van 16 Oct^ tot 16 April 
//is bij de dag af ƒ 1754 — 3 — of einde vier', jaers 

///3157.— 10 

//en dan competeerd S. Ed. ƒ 1157 — 10 — 
//En duijsent ackers Landts.// 



*) Dit zijn de deux mille francs , waarvan Mevrouw dk Cheusses 
in den hiervoren medegedeelden brief gewaagt. 



Digitized by 



Googk 



B Ijr li A » K WW. 

Lyst van de Predikanten by de Fransehe-Hervormde 

gemeente te Paramaribo, *) met vermelding van 

de jaren, gedurende welke ieder hunner 

als zoodanig is werkzaam geweest. 



Jan Briffaülï, 1690— 1696. 

Pierre Terson, Maart 1696— Julij 1697. 

Pierre Saurin, Sepf 1697— Feb'J 1707. 

JusTUs Fauvarque , Dec'^1708 — Sepf 1709. 

David Estor , Nov' 1712 — 1731. 

Petrus IJver, Julij 1732— Jiilij 1736. 

Antoine Aüdra, Aug'1741— Feb'J 1743. 

D. A. DE LiÈGE , Oct^ 1743 —Maart 1744. 

BarthélemiLüdovicus Duvoisin, Mei 1746 — 1752. 

Jean Isaac Sporon, Feb'J 1753 — April 1753. 

Elie Le FèvRE , Junij 1757 — April 1760. 
Elie Pierre Louis Royèbe, Dec'"1762— Fet'J 1765. 

Amédée Sugnens , Maart 1765 — April 1773. 

Jean Henri Grob, Mei 1772 — Jan'J '1783- 



Van deze predikanten hebben Fauvarqüe , Estor en 
IJver, ook dienst gedaan bij de Nederduitsche-Hervormde 



gemeente. 



.Yan eenen predikant Dat.bus, van wien op blz. 112 van 
het 1' deel West-Indië is melding gemaakt , wordt in de 
Surinaamsche berigten niets aangetroffen. 



*) Zie West-Indië, I, blz. 19—23, en blz. 115. 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



B nrii A « E V. 



GEZANG OP ZEE. 

Aan 
ZIJNE DOORLUCHTIOSTB HOOÖHEID. 

— Neque si quis scribat, uti nos, 
Scrmoui propiora, putes hunc esse poëtaiu. 

HOBAT, 

VOORZANG, 

'K Zat in de scheepskajuit, verlegen en verslaageu', 
En doof van 't zeegeruisch, te peinzen, hoe 'k 't best, 
En 't minst verveelend , met een uitgebreid request , 
Mijn waaren toestand aan Uw' Hoogheid voor zou draageii, 
Wanneer mij , zoo mij dacht , een vrouwebeeld verscheen , 
Niet schoon , maar vriendelijk , niet fijn , maar frisch van leen. 
Het oog was helder blaauw , maar zonder kunst van lonken , 
De tabbert , zonder met verschiet van verw te pronken , 
Uit inlands stof gesneên , eenvouwig neêrgeplooid , 
't Hoofd zonder linten , met een' witte huif getooid. 
De boezem, ver van met juweel sieraad te praalen. 
Was toegedekt, en droeg een' ketting van koraalen, 
Terwijl een sleutelring haar wapperde aan de zij. 
Zij knikt mij toe. Ik ben de Duitsche Poëzij , 
(Dus sprak ze) die gij in uw' jonkheid pleegt te minnen. 
Doch die gij sedert hebt verbannen uit uw' zinnen , 
Terwijl ge (ó smaad!) in meer dan dertig jaaren tijd. 
Die ge in 's Lands diensten , meest uitlandig hebt versieeten, 

11 



Digitized by LjOOQ IC 



160 



Pas dertig uuren aan mijn' dienst hebt toegewijd. 

'k Was ook in 't Vaderland verstooten en vergeeten. 

Mijne offraars, waardig aan dien naam, zijn dun gezaaid, 

Terwijl de Fransche zang rondom mij overkraait. 

Nu schep ik nieuwen moed, en hoope op nieuw te leeven. 

De Hemel heeft ons een' geliefden Vorst gegeeven, 

Die, tot zijne eeuwige eer , de vaderlandsche kunst 

En arbeid kweekt , beschut , en moedigt met zijn' gunst. 

Geef mij uw schrift. Ik zal 't in rijm en dichtmaat plooien 

En hier en daar, als 't past , een' kleene veldbloem strooien 

Misschien ontfangt de Prins het nederig gedicht, 

Mijn' naam ter liefde, met een gunstig aangezigt. 

Hier zweeg ze. Ik weet niet, of het droomen wasofwaaken, 

Maar'k weet, uw Hoogheid tan mijn droom tot waarheid maaken. 



NEDERIG SMEEKSCHRIFT. 

- Si consilimn vis, 
Permittes ipsis expendere Numinibus, quid 
Conveniat nobis, rebusque sit utile nostris. 

JUVEN. 

Bedwelmd , versufd , ontsteld , verslaagen en verward , 
En diep getroffen tot in 't binnenst van mijn hart , 
Voel ik mijn tong beklemd, en weet niet uit te drukken, 
Wat zielsontroeringen mij sling'ren en verrukken. 
Ik afie mijn ouden roem beneveld en beklad 
Met duizend loogens , zelfs in mijn geboortestad ; 
Mijn' eerelijken naam vertreeden en geschonden , 
Door booze lastertaal , en valsch verdichte vonden. 
Men heeft mij schaamteloos in 't aangezigt gespuuwd 
Met adderen vergift, daar zelfs de hel voor gruwt. 



Digitized by 



Googk 



1G3 



Wat baat mij alles, ja wat baat mij zelfs het leeven, 
Indien de last'ring, zoo arglistig 't saamgeweeven , 
Den minsten ingang vondt bij mijn geliefden Heer! 
Een edel Vorsten hart, dat niets dan deugd en eer 
Van jongs af heeft geleerd, en vuil bedrog en loogen 
Niet dan bij naamen kent, wordt allerligtst bedroogen, 
En kan onmoogelijk begrijpen, dat de haat 
Van kwaade menschen tot zo groot een' boosheit gaat. 
Durf ik een' Vorst, die alP zijn' dierbaare oogenblikken 
Tot heil van gantsch Euroop afperken moet en schikken , 
Gaan vergen onbeschaamd, dat hij, om mijnent wil, 
Tot grondig onderzoek zijn' kostlijke uuren spil! 
Wat Udijms kan al die Sfinxespraak ontwinden? 
Wat Theseus 't pad in dien verwarden doolhof vinden, 
Een hol vol bogten, daar Sibylle's gouden tak, 
En Ariadnés draad te kort viel en te zwak? 

Toch weet het God, mijn Prins ! ik lij geheel onschuldig, 
Schoon ik mijn kruis opneem, zachtmoedig en geduldig. 
Geloof niet *), wat men schreeuwt van onrust, van geweld, 
En oproer van 't gemeen, en wat men meer vertelt 
Met fab'len, uitgedost in allerhande vormen. ' 
Vijf, zes der magtigsten verwekken al' die stormen. 
Die, moedig op hun geld, hun driftig onverstand 



*) üit de memorie, door mij aan haar Edele Mogende, de Heeren 
Commissarissen f overgegeven bij derzelver aankomst, den 15«n December 
1750, {Recueil, Deel IV, p. 348) blijkt,- dat* er in 't geheel geen onrust 
was, dan met drie Raaden. De Hoven ^ alle Collegien, en alle de Burger- 
Officieren hadden verklaard van mijn' Regeering volkoomen te vrede te 
zijn. (Zie Recueil, Deel II, p. 12. Deel IV, p. 171 en 187—192). En 
omtrent de Burgers eindigt de Memorie met deze aanmerkelijke woor- 
den : De Burgers , verre van eenige beweeging te maken , hebben ter con- 
trarie alle aanzoekingen t die hen daartoe gedaan ztjn, als braave lieden 
afgeweezen. Ik ben van dezelve volkoomen contefitf en ik ben verzekerd , 
dat zij '< zelve van mij ook betuigen zullen , zo Uwe Excellentien hen NB. 
gelieven te laten verzamelen en ^t hen af te waagen. 



Digitized by 



Googk 



1C4 



Vermommen met den grijns van ijver voor het Land, 
En waanende alles door hun' rijkdom te bedwingen, 
Een stroom meêsleepen van verblinde huurelingen, 
Die zelf niet weeten , wat ze doen , en in H geschil 
Onkundig, teFnen voor en tegen, wat men wil. *) 

Dit waanwijs Broederschap van rijke muitverwailten , 
Wou zelf zich in den stoel van 't wettig Landshoofd planten, 
Ja 't gansche Landvoogds Ampt kwam nu niet meer te pas, 
Nu in het Vaderland geen Prins aan 't Staatroer was, *) 
Dus wou men, zonder op octrooi of wet te letten, 
Al' de oude paaien der Eegeringsvorm verzetten. 
Zelfs de ed'le Maatschappij, die met haar geld en goed 
Dit bloeiend Wingewest gekogt heeft en behoed, 
Aan wien de Raad en 't Volk met Eeden zijn verbonden 
Werdt opentlijk gesmaad, gedwarsboomd en gcsclionden, 
Men zocht vergeetene geschillen uit het stof. 
Lang uitgeweezen bij het opperst Staatenhof. 
Men wroette zelfs in de asch van lang versturven' Ileeroii , 
Om hun gedachtenis nog in hun graf te onteeren. 
Twee hoplien •), die men zelf, met een' bijzond'ren haat, 
Nog onlangs had gehoond met opentlijken smaad, 
Gebruikte men, om nu de Burgers te beroeren, 
Of, zonder Lastbrief, op hun' naam het woord te voeren. 
Dit lukte ook niet ; en schoon men schriftlijk met dien naam 
Gedreigd hadt, en het volk belasterd met den blaam 
Van opstand , stonden ze in hun' reek'ning toch bedroogcTi , 



213, 214. Deel II, p 14, 15. Deel IJl, 
cap. 2, p. 30, 41. Deel IV, p. 96, 108, 147, 207, 241. 

>) Deeze Factie ^ die zich den naam van Republicainsche gaf, begou 
*t hoofd op te steken in 1746. Haar* stelling was, dat het octrooij ge- 
maakt was onder eene Stadhonderlijke Begeering, en dus nu, zoo veol 
't Eminent gezag der Gouverveurs raakte, niet meer gelden moest. 

5) Mol en Vissbr. Zie *t Rucueil, Deel II, p. 17, 263, 287, en de 
de Berichten over Visser in 't derde deel. 



Digitized by 



Googk 



165 

En stieten huis aan huis , het hoofd met hun* vertoogen , 
't Bleef hier niet bij. Men stuurde een* plegtig Afgezant , 
Milddaadig uitgerust , om in het Vaderland 
Vergif te strooien met bedriegelijke streeken , 
En , zoo dit ingang vondt , de stonnklaroen te steeken ; 
Een' Kromwel in het klein, die 't ruiterlijk gezigt 
Mee weet te mommen , als een Engel van het licht , 
En heimlijk loerde om met het geld en lange vingereu 
Der Broederschap zich zelf in 's Landvoogds plaats te slingeren, ' ) 
Gelijk de Broeders weer hem met gelijke trouw 
Behandelden, en doof voor 't schreeuwen van zijn vrouw, 
Hem volmagt en voogdij ontdraaiden d' een na d' ander. *) 
Waar aazen wolven in de bosschen op malkander ! 

Maar pas was de Afgezant aan 't werli , of de ommekeer 
In Neêrlands Staatsvorm wierp hun eerste stelsel neer. 
Toen vleide ik mij , nu was 't gelukkig uur gebooren , 
Om allen twist in 't vuur van éénigheid te smooren. 
Tk vierde 't feest van uw' inhuldiging, en deed 
Al wat een vreedzaam Hoofd kan doen naar pligt en eed. 
Vergeefsch! de arglistigheid, ten afgrond uitgebrooken , 
Vergiftigde alles, om het smeulend vuur te stooken. 

Toen 'k eindlijk , eensgezind met Raad en Burgerij , 
Al 't oude liandkrakeel met de ed'le Maatschappij 
Gelukkig had verzoend ') , toen raakte 't vuur aan 't blaaken. 
Men zag hen gift en galten neuze en monde uitbraaken. 
Men vloog den Souver ein zelfs in het aangezicht , *) 
Die 't gunstig zegel hing aan 't geen ik had verricht. 

*) Register van *t Recup.il , cap. I, l^. 256. 

') Recueil, Deel IV, p. 374, 378, 379. 
. ') Bij de Conventie van 1 784 , met eenparigheid in 't Hof van Paiictn 
geslooten, en door *t Hof van Justitie, alle de CoUegien en Burger- 
Officieren goedgekeurd , met eenparige betuigingen van genoegen over 
mijne Regeering. Zie op p. 8. 

*) Recueil, Deel T, p. 249, 250. Deel II, p- 477, 500, 504. 



Digitized by 



Googk 



166 

Wat hielp nu alles, wat ge^aê-rd was zo veel' jaren 
Om de ed'le Maatschappij recht in den schild te vaaren! 
Toen borst de dolheid uit tot alles, wat de haat 
En bitt're boosheid kon verzinnen tot mijn' smaad. 
Een berg van valschheên , mij gansch eerloos aangewreeven , 
Werdt mij op 't lijf geploft , om mij den slag te geeven , 
Te trappen in het graf. Geen schip kwam op de reê, 
Of 't bragt een laading van verdraaide klagten meê, 
Van add'ren uitgebroeid en kruissende op malkander, 
Daar de eene klaager stondt als tuige voor den ander; 
Schendschriffcen , met den druk vereeuwigd , tot mijn' blaam , 
En stout bestempeld met Uw' Hoogheids dierb'ren Naam. *) 
Dus overstelpt van werk, en leevendig begraaven, 
Moest ik bij nafcht en dag tot mijn verdaading slaaven, 
Gelijk men Siayfuê verbeeldt, die, afgesold 
Van arbeid zonder end, den steen den berg oprolt, 
Of als een Zeeman, die, om niet in 't zout te plompen, 
't Schip eeven boven houdt met nacht en dag te pompen. 
Dus moordde ik hier mijn tijd, terwijl men laat en vroeg 
Mij plaagde en tergde , en vaak de koorts op 't ligchaam joeg , 
Om in 't onmenschlijk werk mijn' harssens te verwarren , 
Of 't afgebeuld geduld tot daad'lijkheid te sarren. 

Nog bleef ik onversufd, en hield het sling'rend roer 
Bezadigd in de hand, in 't midden van 't rumoer^ 
Gelijk een' steile rots, wanneer 't geweld der stroomen 
In 't blaffen van den storm, met losgebrooken' toomen 
Zijn* wortels beukt en schokt, zich vasthoudt, en den vloed 
Verduurt, tot eens de bui van zelf heeft uitgewoed. 
Ver van een streng gebruik van mijn gezag te maaken, 
Zocht ik mijn' vijanden door goeddoen 't hart te raaken. 
De Aanspraaken^^) die ik deed, getuigen, hoe oprecht, 

*) Recueilj Deel 1, p. 274. Deel II, p. 526. 
2) Aan 't Hof en Burgers. 



Digitized by 



Googk 



167 



Hoe ijv'rig ik me op vrede altoos heb toegelegd. 
Het Hof vernietigde begonnen' rechtsgedingen, 
'k Heb zelfs een drietal der voornaamste muitelingen 
Door mijn verkiezing op den stoel van eer gebracht, ^) 
Of eind'lijk eens de wrok verzaad wierd of verzacht ! 
Weer vruchtloos! eerder stilt men afgevaste leeuwen, 
Die in het naare woud van dorst en honger schreeuwen, 
En gaapen grimmende met opgespalkte keel. 
't Geheiligd Raadhuis werdt een slagveld van krakeel, 
En knarssend straatgeschreeuw, dat nog mij dreunt in de ooren ,. 
Als of men weder bouwde aan Babels steilen toren. 
Terwijl ik Daniel verbeelde, bij 't gehuil 
Van Monsters, neergesmakt in *t diepste van een' kuil. 
Geen' zaak wordt a%edaan. De Rechtbank bleef geslooten. 
Al wat ik voordroeg, werdt dolzinnig omgestooten, 
Dus bragt men alles in verwarring^ en is t vreemd? 
Wanneer men toom en zweep den voerman dol ontneemt, 
Bij wilde rossen, is 't zijn schuld dan, als ze hollen. 
En hij den wagen ziet aan honderd splinters rollen? 
Nog was 't het slimste, 't Verschgeslooten Landstraktaat *) 
Zoo dier bestempeld met goedkeuring van den Staat, 
Werdt in de war gebragt, en de ed'le tijd versieeten 
Met vitten en gekijf, terwijl geen mensch kan weeten, 
Hoe lang de vree, die God ons geeft, nog duuren zal. 
Het klaar beloofde geld, en 't nodig slaavental 
Werdt mij beknibbeld om de vesting te volbouwen. 
God geef* , dat dit verzuim niet haast hen mag berouwen ! ') 
Dus draaide 't werk, wanneer de wijsheid van den Staat 
De gansche zaak verwees aan Hollands Hoogsten Raad, 



*) RecueUy Deel II, p. 118, 119, 507. 
•) De gemelde Conventie van 1748. 

') Zie hierover roijnen ernstigen Brief aan haar Ed. Mog. de Hecren 
Commissarissen , van den 5 Febriiarij 1751 , in 't Racueil, Deel IV, p. 396- 



Digitized by 



Googk 



168 



Om waarheid en bedrog in Themis schaal te weegen, 
ïoen juichte de Onschuld; doch de Laster stond verlegen. 
Daar 't werk der duisternis geen daglicht yeelen kon. 
De schuuwe nachtuil vreest de straalen van de zon. 
Wat raad om deezen slag te weeren of te ontduiken? 
De Raazemij gaf raad. Men moest geweld gebruiken, 
En bonzen met een' ruk den Landvoogd aan een* kant. 
De boosheid speelde zelfs met rampen van het Land. 
Ja uit hetgeen mij tot onsterflijke eer moest strekken, 
Wist zij, geweetenloos , haar add'rengif te trekken. 
Zelfs dorst men Bethlehems *) rampzaal'gen blixemslag 
Verdraaijen tot mijn' blaam, en, schoon ik d' eigen dag 
De zwarte moorders liet vervolgen op de hielen, 
En ook de glorie had hen allen te vernielen, 
Dorst toch hun schreeuwer op de beurs van Amsterdam 
De brandklok kleppen (V Land stondt nu in vuur en vlam .') 
En hitste onkundigen, om plomp mi) aan te blaffen, 
Als of ik beet'ren kon, dat God het Land wou straffen, 
Een slaavenopstand , die hier voorvalt jaar op jaar, " 
(Meest door der blanken schuld, die door gevloek, misbaar, 
Onmenschelijke straf, en ontucht met de wijven, 
De Negers tergen, en tot woede en wanhoop drijven) 
Was nu een schriknieuws , als of 't nooit was meer gebeurd. 



<) Dus is de naam der plantaadje van Thoma. Schoon de moorders 
den regentijd tot uitvoering van dit gruwelstuk verkoozen hadden , in 
*t vertrouwen, dat de blanken hen dan door de moerassen niet konden 
volgen , heb ik ze toch in drie dagen alle weder gekreegen , behalven 
een' enkelen , die zich zelf hadt omgebragt. Die de Colonie kennen , 
zullen best beoordeelen, en die een' diergelijken tocht zullen willen 
nadoen, zullen best ondervinden, wat eere deeze gelukkige uitvoering 
verdiend hadt, in plaats van dit onbesuisd geschreeuw. Zie 't Rectieilf 
Deel IV, p. 131. 't Onbegrijpeiykste is, dat sedert anderhalfjaar zes 
of zeeven eevcngelijke treurgevallen gebeurd zgn , zonder eenig voordeel 
op de boschnegers, en dat diezelfde Personaadien , die over 't geval 
van Thoma zoo veel geschreeuw hebben gemaakt , nu stil zwijgen. 



Digitized by 



Googk 



lf)9 



't Zieltoogend L^nis-erediet , dat lang reeds had getreurd, 
En 't welk men zelf nu met dit kraaien en dit krijten 
Hadt doodgeschreeuwd , was thans aan mijn bestier te wijten. *) 
De vrede, met een deel boschnegers versch gemaakt, 
Werdt plomp gelasterd, en met onverstand gewraakt; 
Ja 't geen bij 't gansche Land gewenscht was en gepreezen , ^) 
(Toen de ed'le Cheusses , en meer Gouverneurs voor deezen 
Hetzelfde onderzochten) was nu plat een gruwelstuk, 
Nu 't onder mijn bestier volvoerd was met geluk. 
God geef, dat de uitkomst nooit mag in ons voordeel spreeken , 
En dat deez' vreedebreuk het Land niet op mag breeken 1 ') 
Misleide tekenaars ! gij kent het Land hier niet. 
Hetgeen gij op de kaart , als open' velden , ziet , 
Zijn donkre wouden, digt met kreupelbosch bewassen, 
Doorsnêen met zwampen ^ *) en afgrijslijke moerassen. 
Ziet , meet , hoe 't land in diepte en breedte is uitgestrekt. 
Zelfs, als ge al blind'ling, bij geluk, een dorp ontdekt. 
Dan is 't nog ver van hen te dooden of te vangen. 
Zij sling'ren zich door bosch en ruigten, als de slangen. 
Daar gij niet volgen kunt. Het volk wordt krank en mort. 
De mondkost, die zoo ver op 't hoofd gedraagen wordt 
Door slaaven , en nog eerst den mond ^) uit , door de baaren 



*) Ik ben 't integendeel geweest , die 't crediet hersteld heb door 
't project f hetwelk de Heer Burgemeester Deutz heeft tot uitvoering 
gcbragt, en zonder 't welke voel* cerlyke lieden hun' plantaadjen zou- 
den hebben zien inslokken , waarop 't gemunt was. 

») Zie de Apologie in 't Recuetly D. IV, bladz. 215, bijzonderlijk 
bladz. 226, 227. 

') 't Is mij leed, dat de uitkomst reeds is. zoo als ik gevreesd heb. 
Sedert den vredebreuk zyn' erin eenjaar veel meer ongelukken gebeurd, 
dan in mijn' neegen regeeringsjaren te saamen. 

*) Dus noemt men moerassige waterplassen in de laagtens. 

B) Bij den tocht van Crents in 1749 moest men de leevensmiddele» 
met een bark den mond der rivier Suriname uitvoeren , en door de 
zee de rivier Sarameca eenige dagen verre opvoeren. 



Digitized by 



Googk 



170 



Ia achterom gevoerd met ponten en korjaaren , 
Begint te minderen. Gij vreest den regentijd, 
(Die, als het nat saizoen de wolken open splijt, 
De bergkruin overzwelt, en meeren maakt van kreeken) 
En duizend zwarighêen, onmoog'üjk uit te spreeken! 
Dan ijlt gij weer naar huis: gelukkig! zo een laag 
Van Negers u op weg niet waarneemt uit een haag. 
Daar moet gij blind met een onzichtb'ren vijand kampen, 
Die u, als eenden, schiet en kiffelt in de zwampen. 
Al rukte een leger van tienduizend man bij één. 
De moed en 't krijgsbeleid van Cezar en Eügeen 
Vondt hier zijn' arbeid om een' hydra uit te roeijen , 
Die zelfs Alcides knods ontduiken zou, in 't groeijen. 
Neen ! als de dapperheid zo dikwils 't oogmerk mist , 
Dan neemt het staatsvernuft zijn' toevlugt tot de Ust. 
Dos bleef de beste raad , met wijsheid hen te splitsen , 
Om met 'er tijd den een op d' andren aan te hitsen. 
De ervarenheid heeft vaak , en onlangs dit doen zien , 
Wanneer de N^ers ') van 't bevredigd Korretien 
En Koppenaamen , ons verzelden op de togten , 
Of zelf, door eigen' wraak genoopt, als leeuwen, vochten. *) 
Dus dorst men veilig eens in 't hart van 't binnenland 
Indringen, dat een schat verbergt in 't ingewand ' 
Van gommen, mineraal en dierbre kruiderijen. 
Ver van de zeestrand, in het diepst der woestenijen, 



<) Met deeze Negers , ook weggeloopen slaayen, is voor Jangejaaren 
ton tijde van den Heere van Sommelsdijk vrede gemaakt, die tot 
heden toe tot groot voordeel der colonie heilig gehouden is. Zie Recueil, 
D. IV , bladz. 227. 

«) Nog kort voor mijn vertrek, in Maart 1751 , hebben ze uit eigen 
beweeging een gelukkigen togt gedaan. Doch men heeft hen in de 
nieuwsschriften vermomd met den naam van Indianen, Waarom ? die 
200 zeer tegen de vrede geschreeuwd hadden , wilden niet erkennen , 
dat do hevreedigde JVrger.^ iconnon dienst doen. 



Digitized by 



Googk 



171 



Dat tuig Brezil , daar wij voor aan , in ons gebied , 
Niets vonden, dan rood hout, tabak en suikerriet, 
En nu den Portugees met rijk gelaaden' scheepen, 
Een' schat van zilver en juweelen uit zien sleepen.... 
Gij luistert niet, en schudt het hoofd op 't geen ik zeg 
Gij roept maar : trapt hem f voort f de Gouverneur moet weg ! 
Gij sluit de beurs, en dreigt de keel ons toe te wringen, 
En weet dus eindlijk /t naar uw' blinden zin te dwingen *) 
Wie kan een' stroom weerstaan , die door een' wervelwind 
Aan 't hollen, in zijn' loop het akkerland verslindt, 
En onder 't knarssen van den donder , in het rukken , 
De gronden boven roert , cu dijken schokt aan stukken ! 
Dus zwicht verblufte deugd voor onbesuisd geschreeuw ! 

Ver over dertig jaar, een derde van een' eeuw. 
Heb ik den Staat gediend, en 't gunstig welbehaagen 
Der Heeren meer dan eens gelukkig mêe gedragen. 
In negen jaaren van mijn zuure Landvoogdij, 
Is 't Land een vierde en meer verbeterd in waardij , 
Grantsch Komm^mjne *) met een' dubb'len boog van huizen , 
Plantaadjen, lijn aan lijn, met schuuren , lootsen, sluisen , 
Vier mijl op, nieuw bezoomd, met slaaven zonder tal. 
Waarvan men na mijn' tijd de vrucht eerst trekken zal, 
'k Droeg al' de lasten van mijn ampt bij nacht en dagen. 



*) De schandelijke scheldwoorden , die de tekenaars van 't Reguesie 
van den 11«« Februari} 1750 (D. IV, bladz. 96) op mij uitgeworpen 
hebben, verdienden scherper tegen bescheidt. Die ter goeder trouwe 
daartoe misleid zijn geweest, zien zekerlijk zelf tegenwoordig 't ongelijk , 
dat mij is aangedaan. Met de andere bewaar . ik mijn afrekening voor 
hooger* rechtbank , dan den Zangberg. Zie ook biz. 208. 

*) Alles , wat men op de kaart tnsschen de twee vestingen Amsterdam 
en SommeUdijk geopend ziet , is onder mijn' Begeering aangelegd. Zelfs, 
zo men 't crediet niet moedwillig gepletterd had , zou de gansche rivier 
Sarameca nu ook reeds beplant zijn geweest , met een' doorsnijding na 
de rivier Suriname, waartoe ik 't plan en N.B. de noodige subscn'ptien 
reeds voor ccnige jaren heb overgezonden. 



Digitized by 



Googk 



172 

"Vaak met mijn' kwaaie op 't lijf, of Surmaamsche plaagen. 
'k Heb weetens aan geen' mensch ooit ongelijk gedaan 
Of noemt men ongelijk , 's Lands wetten voor te staan , 
En oproermaakers , die het onderst boven keeren, 
Voor God en Overheen ontzag te willen leeren? 
Wel, dan beken ik schuld! 'kheb ernst getoond, als God 
En 't wettige gezag door jongens wierdt bespot. ) 
'k Heb willen waaken op bekende Landschandaalen , 
Die Gods gerechten vloek op Land en volken haaien: 
En als 't belangen van mijn' Meesters heeft geraakt , 
Heb ik mijn zelf belang trouwhartig steeds verzaakt. 
Wat rust, wat vriendschap, wat genot men mij deedt hoopen 
Om 't recht der Maatschappij lafhartig te verkoopen , ') 
Ik sloeg het af, en zelfs verachte ik 't dreigement 
Van 't geen mij onverdiend nu overkoomt in 't end'. 
Dit 's mijn belooning dan 1 en in mijn' grijze dagen 
Word mij met met éénen schok de kroon van 't hoofd geslagen , 
Terwijl mijn' vijanden hun booze zin gelukt ! 
'kWord buitenstijds uit mijn begonnen werk gerukt, 
'k Zie mij van vrienden en twee lieve kind'ren scheuren , 
'k Zie mijn' soldaaten mijn verhaast vertrek betreuren 
Gelijk mijn' Officiers , uitbarstende in geschrei , 
Hun' klemmende armen -om mijn' hals slaan bij 't gelei , 
Terwijl de burgers (als vrêelievende onderdaanen) 
Mij nazien in de boot met ingekropte traanen , 
Verwonderd , om wat reen de aloude plegtigheid 
(Naar Lands gebruik) hen thans misgund wordt en ontzeid. 
Neen, Burgers, neen ! uw' trouw is altijd mij gebleeken. 
Ontbreekt de plechtigheid en 't uiterlijke teken , 



1) Zie mijn Bericht op de Memorie van de Eerw. classis van Amster- 
dam, in 't Recueily D. IV, achteraan. 
«) Recueil, J). II. blz. 412. 



Digitized by 



Googk 



173 



Ik ken uw' harten toch, en draag uw zegen mee, 
Terwijl ik met mijn vrouw en kinderen zwerf op zee. 

Dus ga ik zuchtend scheep , verleegen en verslaageu , 
En zelf niet weetende , of ik zwijgen moet of klaagen. 
Zal ik den bitt'ren haat, die mij zoo boos bevecht, 
Nog meer verbitt'ren door verdaadmg van mijn Recht, 
En nieuwe vijanden mij op den hals aanrukken? 
Een ijs'ren pot vergruist een' aarden ligt aan stukken. 
Waar zie ik 't eind ! Hoe lang moet ik het grijze hoofd 
Vermprsselen in 't graf, door 't werk reeds afgesloofd! 
En is de strijd gelijk met menschen, die, vermeeteu, 
De goede trouwe, en al wat heilig is, vergeeten, 
Terwijl hun' boosheid zelfs met dierbaare eeden lacht, 
En mij gezwooren heeft te plett'reii met haar' macht? 
Was 't zelfs niet beter, voor den feilen stroom te wijken , 
En in den stormorkaan de zeilen in te strijken ? 
De waarheid, voor een' tijd door lastertaal vertrêen. 
Breekt in het kort van zelfs door zwarte wolken heen, 
En blinkt met dubbeld licht en leevendiger straalen. 
Doch moet ik, onhersteld , ten^grave nederdaalen , 
God ziet mijn' onschuld met zijn albespieg'lend oog, 
En reikt me op 't eind der baan de krans toe van omhoog. 

In deeze ontroeringen, die mij de ziel bestrijden, 
Yerleegen , raadeloos, wat ik moet doen of mijden, 
Verlangende na rust, gevoelig aan mijn* eer, 
(Terwijl het schichtig hart gesold wordt heen en weer, 
Gelijk een roerloos schip, geslingerd door de winden) 
Zijt gij 't alleen, mijn Prins, bij men ik troost kan vinden. 
Mijn heil of ongeluk is in Uw' Hoogheids magt. 
Een enk'le wenk ! dit is *t orakel dat ik wacht , 
Om miin' vervolgers vrij te treeden onder de oogen. 
Zoo maar het Recht de deur toegrendelt voor de loogen , 
En de eerste valsheid , die 'k zo klaar reeds heb vertoond , 



Digitized by 



Googk 



171 



Hen eerst wordt afgeleerd, en naar waardij beloond. 
Dan schep ik adem om mijn' onschuld te verweeren. 
Doch kan 't niet zijn, en is de slag niet meer te keeren, 
Kan 't opgestookte vuur niet anders zijn geblust, 
En moet mijn ongeluk tot Suriname's rust 
Gedijen, 't zij dan zo! (de tijd kan 't best ontdekken) 
Dan moet ik voor 's Lands best getroost ten offer strekken. 
Dan buige ik me, en vereer met diepe eerbiedigheid 
Het lot, mij van een' hand, zo dierbaar, opgeleid, 
Zo mij Uw' gunst maar in de treurige oogenblikken , 
Die 'k nog te leeven heb, de ziel nog blijft verquikken. 
Is 't dus vergeefsch, dat ik herstelling hoop en zoek, 
Zo gun me in Uw Gebied een afgeleegen hoek. 
Daar ik in eere en rust de dood stil af kan wachten. 
En nimmer menschen zal verveelen met mijn' klagten 
Daar ik, verzadigd van het ijd'le, hier geen vreugd 
Meer zoeken zal , dan in 't vereeren van uw' deugd. 

Dus zong ik, Groote Vorst, in 't bruissen van debaaren, 
En 't hobbelend gezicht van dreigende gevaaren 
Wêerhieldt mij niet, om dit schuldoffer van mijn' pligt. 
U toe te brengen in dit stamerend gedicht. 
Het Heidensch land, daar ik mijn' tijd in heb versieeten, 
Heeft mij de zuiv're taal en maatklank doen vergeeten. 
Het roostend zonnevuur , 't gebrek van vrede en rust , 
En 't daag'lijks zielsverdriet , heeft mij den geest geblust. 
Ook is de stof te schraal om met verwisselingen 
Van dichtsieraaden in bekrompen rijm te wringen. 
De zuure naam alleen maakt men zijn bloot geluid 
De Muzen schuw, en 't paard vliegt schichtig achteruit. 
OviDiüs, toen hij in Pontus zat verbannen, 
Kon zelfs de snaar van zijn' Herschepping' niet weer spannen. 
Zijn' zang kroop laag langs d' aard. Dien nederigen trant 
Vondt hij zelf voegelijkst aan zijn' bedrukten stand. 



Digitized by 



Googk 



175 



Gij , dien we Augustus zien in roem te boven streeven , 
Volg, volg de deugden van het einde van zijn leeven , 
Prins Feiso, maar verhoor mijn' schuldelooze beê 
Met meerder goedheid, dan hij die van Nazo deê. 
Prins Priso , sla *t gezicht op mijn' besneeuwde haaren. 
Een trouw Landsdienaar , meer door rampen, dan door jaaren, 
Verouderd en verzwakt, van schut en scherm ontbloot, 
Buigt voor Uw' voeten neer, en werpt zich in uw' schoot. 
Niets kan een Vorst meer tot de onsterflijkheid doen steigeren, 
Dan aan verdrukte deugd geen heul of troost te weigeren. 
Zo worde Uw groote Naam eeuw uit, eeuw in geroemd, 
En Uw regerings-tijd AugvsTVs-eeuto genoemd ! 
Zo wil u God nog lang tot Nêerlands welzijn spaaren ! 
Zoo blijve Uw» Kroonprinses Uw' vreugd nog lange jaaren ! 
Zo blijve Uw' vorst'lijk Huis en Keizerlijk Geslacht 
Met roem verheerlijkt tot aan 's waerelds jongsten nacht ! 



-oe®©c- 



Digitized by 



Googk 



Digiti^ed by 



Googk 



^- u 




6.^/r^ m^ 



Digitized by 



Googk 



K R R A T ü. 



•nOn- 



Blz. 2. 12°regel vanbov. tlaai: Reeeuil 

en verder tot op blz. 48. 
Blz.40. 1 5" regel van bov. „ Receuü, IV, blz. 5 



iees: ocerul: Recueü 



, 41. 3« 

, 46. 12« 

, 48. 14« 

, 56. 5« 

, „ 2« 

, 59. 7« 

, 62. 9« 

, 67. 8» 

, 92.17" 
,124. 8« 



„ „ December 1721 „ 

„ 7Februarijl844 „ 

„ bl. 72 en volg: „ 

, onderen in de noot 8iaat: *) „ 

„ staat: van 3« Deel „ 
„ „ Singulartë 
bov. „ vcrzoekpunten van „ 
het redres 

„ „ Quassi amara „ 

,, ,, krechten ,, 



i2^<?«<?*7,IV,bl.5*, 
December 1725 
7Februarijl744 
bl. 25* en volg:, 

') 
») 

van het 3^ deel 
Singularilé 
vcrzoekpunten 
van redres. 
Quassta amara 
krachlen 



12 

Digitized by LjOOQ IC 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



Digitized by 



Googk 



9 

"■5322U 



Digitized by 



Google* 



I 



r-' 






,'^Jn,/^Ja/',AA/SAJ'v^Ai^y^^^rvA,'v.* - " -',_'^^^. - -^^ 



-/v\^CO*' 



1 





(TWvv 



^U%/'i>\/Xi\^'\/ v'^»/^_''W^'V^».' , ■